De spaarkas: ‘levenloterij’ terug van (bijna) weggeweest?

De spaarkas: ‘levenloterij’ terug van (bijna) weggeweest?

26 januari 2015
drs. Kees van Oostwaard werkzaam bij Fiscale Zaken Vivat

Hoewel de naam anders doet vermoeden, is de spaarkas een vorm van een levensverzekering. Slechts enkele verzekeringsmaatschappijen bieden deze verzekeringsvorm aan. Is dat terecht? Heeft deze verzekeringsvorm in 2020 nog nut?
Verzekeren is ‘collectiviteiten zoeken’, en de spaarkas is een collectiviteit bij uitstek. Zonder collectiviteit geen spaarkas. In dit artikel beschrijf ik de spaarkas en geef ik sta ik stil bij drie potentiele toepassingen.

Wat is een spaarkas ook al weer?

Een spaarkas kent geen verzekeringnemers maar deelnemers. Bij een spaarkas storten de deelnemers periodiek een bepaald bedrag in de kas. Op de vooraf afgesproken einddatum ontvangen de dan nog levende deelnemers het bedrag in de spaarkas. Dat is het totaal van de inleg van de deelnemers vermeerderd met beleggingsresultaten dan wel rente. Bij tussentijds overlijden wordt geen bedrag uitgekeerd. De levende deelnemers op de einddatum genieten dus een stukje sterftewinst. Het gespaarde bedrag hoeft met steeds minder mensen gedeeld te worden.
Voor het risico van vooroverlijden kan een aparte overlijdensrisicoverzekering worden afgesloten, maar die verzekering staat los van de spaarkas.
Er zijn twee vormen van spaarkassen:
1. De jaarkas
2. De geboortejaarkas

Jaarkas

Bij de jaarkas kan worden ingeschreven gedurende een kalenderjaar. Daarna is de kas gesloten. Op de afgesproken einddatum wordt het tegoed verdeeld onder de dan nog levende deelnemers. Tussentijds de deelname beëindigen is vaak wel mogelijk, maar mag natuurlijk niet al te aantrekkelijk zijn. Als een deelnemer zich niet zo goed voelt, zou hij snel het geld uit de spaarkas kunnen opnemen om aldus het kapitaalverlies te voorkomen.
Hoe werkt zo’n jaarkas? Dat laat zich het beste tonen door een - gestileerd - voorbeeld

Voorbeeld
Spaarkas X heeft een looptijd van twintig jaar en de deelnemers 1) leggen per spaaraandeel jaarlijks € 120 in, totaal gedurende de looptijd dus nominaal € 2.400. De kosten bedragen 1,5% van de inleg, en het jaarlijkse rendement bedraagt 3%. Bij afkoop wordt de inleg onder aftrek van de kosten teruggegeven. 2)
Stel dat er bij aanvang 1.000 deelnemers zijn. Twintig deelnemers kopen halverwege de looptijd af en krijgen ieder € 1.182 terug (het rendement blijft in de spaarkas). Van de populatie overlijden veertig deelnemers na tien jaar, en nog eens veertig deelnemers overlijden na vijftien jaar.
De overgebleven 900 deelnemers ontvangen ieder € 3.377, een rendement van 3,6%. Zonder sterfteuitkering (en uittreding door afkoop), zou de uitkering € 3.176 hebben bedragen, dus een rendement van 2,99% (iets minder dan het jaarlijkse rendement van 3% door de kosteninhouding op de inleg).

Het voorbeeld is zoals gezegd gestileerd, en de uitkomsten van een dergelijk voorbeeld zijn afhankelijk van de kosten en uiteraard van (daadwerkelijke) sterfte binnen de populatie van deelnemers.

Geboortejaarkas

Zoals de naam al aangeeft is het geboortejaar een belangrijk kenmerk van deze variant. Een spaarkas staat in dat geval alleen open voor deelnemers geboren in een specifiek kalenderjaar, bijvoorbeeld 1976. Gedurende een bepaalde periode kunnen deelnemers inleggen. Vervolgens wordt na een vooraf vastgesteld aantal jaren (bijvoorbeeld 62 jaar na het geboortejaar) de spaarkas verdeeld. De verdeling gaat op dezelfde wijze als bij een jaarkas.

Overlijdensrisico

Zoals uit het vorenstaande blijkt, gaat de inleg verloren als de deelnemer komt te overlijden. Dat ‘verlies’ kan worden opgevangen door een overlijdensrisicoverzekering. De uitkering komt niet uit de spaarkas. Deze kan dus heel goed separaat worden verzekerd. En daarbij heeft de verzekeringnemer alle vrijheid om een overlijdensrisicoverzekering op maat te kiezen. Maar dat is uitsluitend aan de orde als het doel waarvoor wordt gespaard (of belegd) het noodzakelijk maakt dat ook het overlijdensrisico wordt verzekerd.

Fiscaal

De spaarkas kan - fiscaal gezien - verschillend zijn vorm gegeven. De spaarkas kan een kapitaalverzekering zijn, die bijvoorbeeld dient om een schuld voor de eigen woning af te lossen. Maar de spaarkas kan ook een lijfrenteclausule bevatten. Dat kan betekenen dat de inleg aftrekbaar is geweest en dat van het bedrag dat de spaarkas oplevert, toegestane lijfrentevormen moeten worden aangekocht. De lijfrentetermijnen worden vervolgens belast.

Toepassingsmogelijkheden

De spaarkas heeft in mijn ogen alleen kans van slagen als het product zo eenvoudig mogelijk wordt vormgegeven en daarmee slechts beperkte kosten met zich mee brengt.
Verder is - zoals het voorbeeld hiervoor laat zien - de sterftekans een wezenlijke voorwaarde voor het al dan niet substantiële voordeel voor de ‘overlevenden’. Daarom sta ik stil bij drie toepassingsmogelijkheden, en elke mogelijkheid is voor een specifieke leeftijdscategorie.

De twintigers en dertigers: sparen voor de aflossing van de eigen woning of de studie van een kind

De spaarkas heeft door haar vorm met name nut als deze een aanzienlijke looptijd heeft. Immers, de opbrengst groeit sterker naarmate gedurende de looptijd meer deelnemers overlijden, de sterftewinst. Naast de reguliere opbrengst van rente en/of beleggingen. 3) Dat betekent dat het spaardoel ook een doel voor de langere termijn moet zijn. De eigen woning kan zo’n doel zijn. Zowel voor de eerste aankoop als voor de aflossing van de eigenwoningschuld.
De laatste categorie - aflossing -  wordt waarschijnlijk wel een slinkende groep. Dit komt doordat het met ingang van 1 januari 2013 noodzakelijk is om in maximaal 360 maanden volgens een tenminste annuïtair schema af te lossen op de eigenwoningschuld om in aanmerking te komen voor renteaftrek. Maar er zijn ook nog genoeg aflossingsvrije hypotheekschulden van vóór 2013 die nog niet zo lang geleden zijn afgesloten en die nog minstens twintig jaar lopen. Hiervoor geldt momenteel geen fiscale faciliteit - omzetting van een kapitaalverzekering of ander spaarproduct in een kapitaalverzekering eigen woning is niet meer mogelijk - en het is voorlopig ook niet echt meer te verwachten dat een dergelijke faciliteit nog terugkomt. De spaarkas heeft toegevoegde waarde als de sterftewinst extra opbrengst kan genereren.
Voor de categorie twintigers en dertigers bedraagt de kans om een looptijd van twintig jaar niet te overleven, tussen de 2% en 5%. 4) In het voorbeeld hanteer ik een sterftekans van 3,5%.

Voorbeeld
Spaarkas Y heeft een looptijd van twintig jaar en de deelnemers leggen per spaaraandeel jaarlijks € 100 in, totaal gedurende de looptijd dus nominaal € 2.000. De kosten bedragen 1,5% van de inleg, en het jaarlijkse rendement bedraagt 3%. In het voorbeeld wordt geen rekening gehouden met afkoop.
Stel dat er bij aanvang 1.000 deelnemers zijn. Van de populatie overlijden dertig deelnemers voor het einde van de looptijd, in dit voorbeeld allen halverwege de looptijd.
De overgebleven 970 deelnemers ontvangen ieder € 2.693, een rendement van 3,2%. Zonder sterfte uitkering, zou de uitkering € 2.646 hebben bedragen, dus een rendement van 2,99% (iets minder dan 3% door de kosteninhouding op de inleg).

Hoewel de uitkering door sterfte van enkele deelnemers iets hoger is dan zonder die uitkering, lijkt de spaarkas niet interessant voor deze groep.

De veertigers: sparen voor eerder stoppen met werken

De laatste jaren is de trend overduidelijk langer doorwerken. Nog zeer recent is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel voor versnelling van verhoging van de AOW-leeftijd ingediend. De veertigers van nu zullen al snel tot hun 68e of 69e door moeten werken alvorens van hun AOW-te kunnen gaan genieten, zo lijkt de trend.
Niet iedereen zal daar op willen wachten, en bijvoorbeeld toch op 65 jaar willen stoppen. Daarvoor geldt - uiteraard - geen fiscale faciliteit. Wellicht dat de spaarkas uitkomst biedt.

Voorbeeld
Stel dat Spaarkas Z een looptijd heeft van twintig jaar en bij aanvang alleen 45-jarige deelnemers heeft. Er zijn 1.000 deelnemers. Circa 11% van deze populatie overlijdt 5) voor het bereiken van de einddatum in dit voorbeeld allen halverwege de looptijd.
De deelnemers leggen jaarlijks € 100 in. De kosten bedragen ook in dit voorbeeld 1,5% van de inleg, en het jaarlijkse rendement is 3%. Er is geen afkoop.
De overlevenden op de einddatum - 892 in getal - ontvangen ieder € 2.830, een rendement van 3,7%. Zonder sterfte uitkering, zou de uitkering € 2.646 hebben bedragen, dus een rendement van 2,99% (iets minder dan 3% door de kosteninhouding op de inleg).

Het voordeel is nog steeds niet substantieel.

Zestigers: aanvulling voor de oudedag

Een spaarkas kan geschikt zijn voor een lijfrente. Bijvoorbeeld in combinatie met een uitkering die start op een lijfrenteuitkeringsrekening. Die zal in veel gevallen twintig jaar na de AOW-leeftijd eindigen. Als je dan niets hebt geregeld, kan het inkomen fors terugvallen. Als je een spaarkas hebt uitsluitend voor bijvoorbeeld AOW-gerechtigden, zal dat vrijwel zeker tot sterftewinsten leiden die er toe doen. Weliswaar loopt de levensverwachting in Nederland nog steeds op, maar lang niet elke 65- of 66- jarige haalt de 85-jarige leeftijd. En daar is voor de deelnemer dan extra voordeel te behalen, naast het reguliere rendement dat in twintig jaar looptijd kan worden behaald.
Uiteraard kan ook simpelweg gespaard (of belegd) worden voor een kapitaal voor de oudedag. Zonder fiscale faciliteiten, maar dat geeft ook vrijheden. Met name in de aanwendingsmogelijkheden voor het kapitaal, want die is geheel vrij als de verzekering in box 3 wordt afgesloten. En dat kan belangrijk zijn. Met toenemende zorgkosten en beperktere middelen bij de overheid, kan het wel eens belangrijk zijn om op de oude dag een kapitaal beschikbaar te hebben voor die zorgkosten die - al dan niet gedeeltelijk - voor eigen rekening komen. 6)
Maar de vraag is: levert de spaarkas voldoende op?

Voorbeeld
Stel dat Spaarkas Q een looptijd heeft van twintig jaar en bij aanvang alleen 65-jarige deelnemers heeft. Er zijn 1.000 deelnemers. Ruim 60% van deze populatie overlijdt 7) vóór het bereiken van de einddatum in dit voorbeeld allen halverwege de looptijd.
De deelnemers leggen jaarlijks € 100 in. De kosten bedragen ook in dit voorbeeld 1,5% van de inleg, en het jaarlijkse rendement op de inleg is 3%. Er is geen afkoop.
De 382 overlevenden op de einddatum ontvangen ieder € 5.122, een rendement van ruim 9%! Dat lijkt me zeker de moeite waard.
De uitkomst wordt nog iets hoger als met koopsommen in plaats van premies zou worden gewerkt.

De spaarkas kan dus wel degelijk een product voor de oudere leeftijdscategorieën zijn. En dan met name als inkomenscomponent na de bancaire lijfrenteuitkeringen (die veelal op 85-jarige leeftijd zullen eindigen). Nu is de groep ouderen al substantieel en neemt deze alleen maar toe. En ook het gebruik van de bancaire lijfrenteuitkering neemt alleen maar toe, simpelweg omdat niet echt sprake is van een ‘level playing field’. Maar ook omdat het aantal expirerende lijfrenteverzekeringen de komende jaren alleen maar toeneemt.
Een spaarkas heeft geen fiscale stimulans nodig om renderend te zijn. Maar bezien in combinatie met de (bancaire) lijfrente zou een fiscale stimulans zeker wel kunnen passen. Daarbij zijn verschillende vormen denkbaar. Een extra aftrekmogelijkheid (ligt budgettair lastig, vermoed ik), de mogelijkheid om een deel van het expiratiekapitaal hiervoor aan te wenden, of een box-3-vrijstelling.

Slot

Uit het vorenstaande kan de conclusie worden getrokken dat de spaarkas zeker een product voor de ouderen kan zijn. De spaarkas kan dus toegevoegde waarde bieden. Die toegevoegde waarde is er alleen voor de overlevenden. In die zin kan de spaarkas worden beschouwd als een ‘levenloterij’.
De uitdaging voor (potentiele) aanbieders is om spaarkassen te ontwikkelen die eenvoudig zijn en daarmee niet te veel kosten met zich meebrengen. Dan zie ik zeker kansen voor een spaarkas. De komende jaren expireert een groot aantal lijfrenteverzekeringen. Aangezien die in grote getale uitkeren via bancaire lijfrenten, is de markt voor een aanvullend product vanaf 85 jaar aanzienlijk.

1) Bij een jaarkas zal de leeftijd van de deelnemers verschillen en zal er om die reden ook een correctie op leeftijd plaatsvinden.
2) Het is ook denkbaar dat wel het rendement wordt teruggegeven maar dat andere drempels worden opgeworpen om voortijdig af te kopen.
3) Bij beleggingen kunnen de resultaten uiteraard ook laag of negatief zijn.
4) Overlevingstafels GBM 05-10 lx, www.fiscaalleven.eu
5) Overlevingstafels GBM 05-10 lx, www.fiscaalleven.eu
6) Hiervoor zijn overigens ook andere spaar- en beleggingsvormen denkbaar.
7) Overlevingstafels GBM 05-10 lx, www.fiscaalleven.eu