Geneuzel op de vierkante millimeter?

Geneuzel op de vierkante millimeter?

29 april 2015
drs. Kees van Oostwaard werkzaam bij Fiscale Zaken Vivat

Op 24 februari 2015 heeft staatssecretaris Wiebes van Financiën gereageerd op een zevental vragen van het Kamerlid Lodders. De vragen hadden betrekking op de gepubliceerde maximale opbouwpercentages bij een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar. Voor middelloonregelingen geldt een maximaal opbouwpercentage van 1,875 per dienstjaar en van 1,657 voor eindloonregelingen. Daarbij gaat de wet uit van een pensioeningangsdatum op de dag dat de gerechtigde 67 jaar wordt. Dus niet de eerste dag van maand waarin de gerechtigde 67 jaar wordt. Bij een pensioenrichtleeftijd van de eerste van de maand betekent dit dat het opbouwpercentage behorende bij de 67-jarige leeftijd moet worden herrekend naar een percentage behorend bij de eerste dag van de maand waarin die leeftijd wordt bereikt.
Dit is niet nieuw door de invoering van Witteveen 2015, zo antwoordt de staatssecretaris. Eigenlijk geldt het al vanaf 1 juni 1999 toen de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Witteveen) werd ingevoerd. Alleen heeft niemand zich daarom bekommerd.
Maar nu zitten we dus met een opbouwpercentage dat hoort bij een pensioenrichtleeftijd van 66 jaar en 11 maanden. Dat percentage - gepubliceerd door het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen - is 12/1000 (0,012) lager dan het percentage dat hoort bij een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar. Maar eigenlijk is dit verhaal ook niet helemaal zuiver. Voor iemand die bijvoorbeeld de tweede dag van de maand 67 jaar wordt zou de korting anders moeten zijn dan voor iemand die pak ‘m beet de 23e van de maand jarig is. Uitvoerders kunnen niet aansluiten bij de verjaardag van de pensioengerechtigde. Ik ken geen enkele uitvoerder die de daarvoor benodigde 365-dagenadministratie heeft. Ook bijvoorbeeld het ABP niet dat de pensioenregeling voor Belastingdienstambtenaren uitvoert. Zoiets is natuurlijk wel in te voeren, maar tegen een hoge prijs.
En over welk belang hebben we het nu eigenlijk? Het is nog minder dan die 0,012% want die gaat er dus van uit dat iedereen een volle maand eerder met pensioen gaat. Maar gemiddeld genomen is het dus een halve maand! Ik ben geen actuaris, maar het lijkt me geen rare veronderstelling dat we het dan hebben 0,006 of 0,007%.
Door sommigen is deze problematiek wel betiteld als geneuzel op de vierkante millimeter. En ik denk dat als je de leden van bijvoorbeeld het Centraal Aanspreekpunt Pensioen zou vragen wat ze hier nu eigenlijk van vinden, ze zich liever druk maken over andere zaken.
Het ‘probleem’ van de eerste dag van de maand als pensioenrichtdatum kwam pas bovendrijven toen zo ongeveer alle pensioenregelingen aangepast waren aan Witteveen 2015. En om nu een groot deel van alle pensioenregelingen van Nederland bovenmatig te verklaren dat durft de staatssecretaris niet. Terecht!
Zijn ‘oplossing’ getuigt van weinig realiteitszin. Op 1 januari 2017 moeten alle regelingen toch zijn aangepast aan het nieuwe opbouwpercentage. Maar dan staat - voor zover mij bekend - geen enkele andere wetswijziging gepland. Als deze aanpassing dan echt moet, waarom niet aansluiten bij een andere wetswijziging die effect heeft (veel) pensioenregelingen? Denk bijvoorbeeld aan het einde van de overgangsregeling per 1 januari 2018 voor middelloonregelingen waarbij het partnerpensioen op eindloonbasis is verzekerd. Voor eindloon en middelloon blijken nu twee verschillende franchises te gelden. Dus bij een combinatie van die twee vormen binnen één regeling moeten twee franchises gehanteerd worden. Tot 1 januari 2018 mag in de situatie van middelloonregelingen waarbij het partnerpensioen op eindloonbasis is verzekerd, de (lagere) middelloonfranchise voor de gehele regeling worden toegepast. Deze overgangsregeling loopt dus tot 2018. Waarom die twee overgangsregelingen niet even lang laten duren?
De aanpassing van de pensioenrichtleeftijd gaat vanuit de schatkist bezien nergens over, maar kost uitvoerders op deze manier wel veel geld. Geld dat in meer of mindere mate zal worden verdisconteerd in de uitvoeringskosten en zo ten koste gaat van de pensioenopbouw. Dat kan niet de bedoeling zijn.
Als dit punt dan zo nodig moet worden aangepast - nogmaals ik zie de relevantie niet voor de schatkist - laat het dan tegelijk lopen met andere wijzigingen.
Natuurlijk was Witteveen 2015 een noodgreep in het kader van de overheidsfinanciën en om die reden nog te begrijpen. Maar ik zou er toch nadrukkelijk voor willen pleiten het aantal wijzigingsmomenten drastisch te verminderen. Al helemaal als het gaat om dit soort geneuzel op de vierkante millimeter. Want dat is het ook naar mijn mening.