Herfst 2014 II: vooral ontwikkelingen rondom pensioen

Herfst 2014 II: vooral ontwikkelingen rondom pensioen

18 december 2014
drs. Kees van Oostwaard werkzaam bij Fiscale Zaken Vivat Verzekeringen

Het jaar 2014 loopt ten einde en zoals elk jaar worden dan nog snel diverse wetsvoorstellen in de Eerste Kamer afgehandeld. Dat geldt in ieder geval voor het Belastingplan voor het komende jaar. Maar er gebeurde vooral het nodige op het terrein van pensioenen. In dit artikel zet ik de zaken beknopt op een rij.

Belastingplan 2015

Het wetsvoorstel Belastingplan 2015 is op 16 december 2014 aangenomen door de Eerste Kamer.
Het nettopensioen is tijdens de behandeling van het Belastingplan 2015 in de Eerste Kamer niet meer aan de orde geweest. Wel is het onderwerp in de Tweede Kamer nog aan bod geweest (zie hierna).
Er zijn veel pogingen gedaan om de termijn voor de extra verhoogde schenkvrijstelling voor de eigen woning (van € 100.000) te verlengen tot na 31 december 2014. Maar ook de laatste poging van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) via de Eerste Kamer heeft geen resultaat opgeleverd. De staatssecretaris houdt vol dat duidelijk sprake is van een tijdelijke maatregel en dat de termijn hiervan duidelijk is.
In een motie ingediend door Van Boxtel wordt het kabinet verzocht om vóór Prinsjesdag 2015 te komen met een uitgewerkt voorstel voor de belastingherziening, inclusief de eerste concrete stappen voor 2016. Deze motie is door de Eerste Kamer aangenomen.

Kamervragen Omtzigt over € 100.000 en verlaging pensioenopbouw

Kamerlid Omtzigt heeft vijftien vragen gesteld over de toepassing van de grens van € 100.000 en de verlaging van de pensioenopbouw. Op 11 december 2014 heeft de staatssecretaris van Financiën die vragen beantwoord. 1)
Voor de grens van € 100.000 laat de staatssecretaris diverse voorbeelden zien. Zo ligt voor een werknemer die € 80.000 verdient in een dienstbetrekking met deeltijdfactor 0,6 de aftoppingsgrens op € 60.000 (€ 100.000 x 0,6).
Een ander voorbeeld is de werknemer met twee dienstbetrekkingen. In de ene dienstbetrekking verdient hij € 50.000 met deeltijdfactor 0,5 en in de andere dienstbetrekking verdient hij € 60.000 met deeltijdfactor 0,6 (in totaal dus € 110.000). Voor de dienstbetrekking met een deeltijdfactor van 0,5 pensioen bouwt de werknemer op over ten hoogste € 50.000 (€ 100.000 x 0,5). Over de tweede dienstbetrekking bouwt deze werknemer ten hoogste pensioen op over € 60.000 (€ 100.000 x 0,6). In totaal bouwt deze werknemer dus pensioen op over € 110.000. De staatssecretaris waarschuwt wel dat sprake moet zijn van een reële situatie van twee dienstverbanden. Constructies zal de Belastingdienst bestrijden.
Ook beschrijft de staatssecretaris de situatie dat een werknemer een dienstverband heeft voor meer dan de fulltime diensttijd in de onderneming. Hij gebruikt het voorbeeld waarbij een werknemer bij 40 uur een salaris ontvangt van € 104.000, terwijl binnen de onderneming een fulltime dienstverband 38 uur omvat. In dat geval geldt de absolute grens van € 100.000 (en dus niet de factor 40/38 maal € 100.000). Zie voor een ander voorbeeld ook de Praktijkcase.
En desgevraagd ontkent de staatssecretaris dat werkgevers en uitvoerders te weinig tijd hebben gehad om de aanpassingen van Witteveen 2015 door te voeren. Hij schrijft:
“De Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen is op 27 mei 2014 door de Eerste Kamer aangenomen. Pensioenuitvoerders hebben zodoende voldoende tijd gehad om werkgevers te informeren over de aanpassingen.”
De staatssecretaris miskent hiermee het feit dat zeven maanden nog steeds een korte termijn is. Bovendien zal een werkgever bijvoorbeeld zijn werknemers die meer verdienen dan € 100.000 ter compensatie een nettopensioen willen bieden. Daaromtrent bestaan nog steeds onduidelijkheden.
Het feit dat de staatssecretaris verwijst naar de mogelijkheid om de regeling - met glijclausule - vóór 1 januari 2015 voor te leggen aan de Belastingdienst, geeft al aan dat hij zelf ook wel aanvoelt dat de termijn nogal krap is.

Verzamelwet pensioenen 2014

De Eerste Kamer heeft op 9 december het wetsvoorstel Verzamelwet pensioenen 2014 aangenomen. Deze wet maakt het onder meer mogelijk dat pensioenuitvoerders een nettopensioen kunnen aanbieden. Daarnaast bevat de wet een aantal voornamelijk technische wijzigingen die ik hier niet bespreek.

Wet aanpassing financieel toetsingskader

Deze wet beoogt het financieel toetsingskader (ftk) voor pensioenfondsen te verbeteren. Op 16 december 2014 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel aangenomen. Met de in de wet opgenomen aanpassingen wordt het mogelijk financiële schokken (mee- en tegenvallers) gespreid in de tijd te verwerken. Dat moet bijdragen aan het realiseren van een stabieler pensioen. Doelstelling is om ruimte te bieden voor een beleggingsbeleid dat past bij het realiseren van een voorwaardelijk geïndexeerd pensioen. Tegelijkertijd moeten de aanpassingen voorkomen dat te snel wordt overgegaan tot indexatie. 2)

Verzamelwet Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2015

Op 13 november heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Verzamelwet Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2015. Dit wetsvoorstel bevat zeer diverse maatregelen. Interessant voor de oudedagsvoorzieningen is het aangenomen amendement dat het mogelijk maakt om afkoop van klein pensioen uit te stellen. 3) Pensioenuitvoerders kunnen op grond van artikel 66 van de Pensioenwet en artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling een klein pensioen afkopen. Vaak gebeurt dat rond de pensioendatum. Een afkoop vóór de AOW-leeftijd kan diverse nadelige gevolgen hebben voor de gerechtigde. Daarom wordt het via dit amendement mogelijk gemaakt om op verzoek van de deelnemer de afkoop uit te stellen tot de maand volgend op de datum waarop een gewezen deelnemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De beoogde datum waarop dit onderdeel van de wet in werking treedt is 1 januari 2015. 4) De maatregel biedt dus geen oplossing voor afkopen die in 2014 plaatsvinden en hebben plaatsgevonden.
Tevens is een amendement aangenomen dat voorkomt dat gemeenten bijstandsgerechtigden kunnen dwingen om hun tweede pijler pensioen vervroegd in te laten gaan. Slechts als personen vrijwillig hun pensioen eerder laten ingaan, zal dit pensioen door het college van B&W in aanmerking genomen worden bij de vaststelling voor het recht op en de hoogte van de bijstand.
Al op 25 november 2014 heeft de Eerste Kamer dit wetsvoorstel als hamerstuk afgedaan. De wet is dan ook al gepubliceerd in het Staatsblad. 5)

Versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd

In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ is afgesproken om de verhoging van de AOW-leeftijd te versnellen. Staatssecretaris Kleinsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft samen met staatssecretaris Wiebes van Financiën op 17 november 2014 het wetsvoorstel dat daartoe strekt, aangeboden aan de Tweede Kamer. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen zal de AOW-leeftijd al in 2021 67 jaar zijn, in plaats van in 2023.
In het volgende overzicht heb ik de huidige en de voorgestelde situatie weergegeven.

Ook zal eerder naar de levensverwachting worden gekeken voor verhogingen van de AOW-leeftijd, namelijk vanaf 2022 in plaats van vanaf 2024. Een verhoging van de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Dus met ingang van 1 januari 2017 wordt voor het eerst bezien wat de levensverwachting is en of dat reden is om de AOW-leeftijd in 2022 te wijzigen. Vervolgens zal deze toets jaarlijks plaatsvinden.
Een verhoging van de AOW-leeftijd zal ook gepaard gaan met een verhoging van de pensioenleeftijd in de tweede pijler. In de Wet op de loonbelasting 1964 wordt immers tegenwoordig voor de pensioenleeftijd verwezen naar de Algemene Ouderdomswet. Al zal bijvoorbeeld artikel 18a van die wet wel aangepast moeten worden. In dat artikel staat dat pensioen actuarieel herrekend moet worden als het pensioen eerder ingaat dan de 67-jarige leeftijd. In dit wetsvoorstel is daar in ieder geval niet in voorzien.
Belangrijke reden voor het wetsvoorstel is dat “de uitgaven aan AOW op de middellange termijn sterk toenemen als gevolg van de vergrijzing en de stijgende levensverwachting”. Ook is de “toestand van de overheidsfinanciën [..] door de economische crisis echter verder verslechterd.”
Het wetsvoorstel komt niet onverwacht. Ik ben wel benieuwd wanneer de 70-jaarsgrens doorbroken wordt.

Slot

Op de valreep is een aantal zaken verduidelijkt en verbeterd. Zie bijvoorbeeld de maatregel dat gemeenten pensioengerechtigden niet kunnen dwingen om het pensioen eerder te laten ingaan. Maar zoals altijd blijven er genoeg uitdagingen voor het volgende jaar over. Ik ben ook zeker benieuwd naar de concrete plannen voor de belastingherziening.

1) Brief staatsecretaris van Financiën, 11 december 2014, kenmerk DB/2014/502U
2) Voor een uitgebreidere behandeling van dit wetsvoorstel zie Jos Gielink, 'Wetsvoorstel FTK door Tweede Kamer: Het tiende tussenstation in zicht', PensioenAdvies, november 2014, p.14
3) Kamerstukken II 2014/2015, 33 988, nr. 29
4) Daadwerkelijke datum wordt bij Koninklijk Besluit vastgesteld
5) Staatsblad 2014, nr. 504