Lijfrente beschermd voor de vermogenstoets in de bijstand?

Lijfrente beschermd voor de vermogenstoets in de bijstand?

1 juli 2015
drs. Kees van Oostwaard werkzaam bij Fiscale Zaken Vivat

Eind vorig jaar is de maatregel al aangekondigd, maar nu is het wetsvoorstel er dan. Dat moet er voor zorgdragen dat bijstandsgerechtigden - onder voorwaarden - niet gedwongen kunnen worden hun lijfrentevoorziening af te kopen. De maatregel maakt deel uit van het wetsvoorstel ‘Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw’ dat op 16 juni 2015 bij de Tweede Kamer is ingediend.

Hoofdlijnen voorstel bescherming lijfrente

Doel van het wetsvoorstel is om het voor zelfstandigen aantrekkelijker te maken om een pensioen op te bouwen. Dit vloeit voort uit het zogenoemde Witteveenakkoord 1). Met pensioen wordt in dit geval lijfrente bedoeld. Het ‘tweedepijlerpensioen’ is immers al voldoende beschermd en hoeft niet te worden ‘opgegeten’ voordat bijstand kan worden verkregen.
De voorgestelde maatregel omvat de volgende elementen en voorwaarden.
Lijfrentevoorzieningen blijven buiten de vermogenstoets van de bijstand voor zover de totale waarde van de voorziening op het moment van het indienen van de aanvraag om bijstand minder bedraagt dan € 250.000, en voor zover:

  • de inleg op de lijfrentevoorziening vóór de toetsingsperiode van vijf jaar voor de aanvraag om bijstand is gedaan, of
  • de inleg die tijdens deze toetsingsperiode van vijf jaar is gedaan onder de voorwaarde dat in elk van deze vijf jaar ten minste enige inleg is gedaan en voor zover deze niet meer heeft bedragen dan € 6.000 per jaar.

Alle hiervoor genoemde bedragen gelden per persoon en dus niet per uitvoerder.
Niet elke lijfrente wordt beschermd. Voor het begrip lijfrentevoorziening waarop deze vrijlatingsregeling van toepassing is, wordt aangesloten bij de belastingwetgeving. Dus lijfrenten die in aanmerking komen voor fiscale faciliëring. Hierbij kan worden gedacht aan lijfrenterekeningen en -verzekeringen die afgesloten zijn met toepassing van de jaar- en/of reserveringsruimte dan wel het omzetten van een fiscale oudedagsreserve of een stakingswinst. Maar ook oud-regime lijfrenten vallen hieronder. Volgens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel gaat het uitsluitend om de aard van de lijfrenten en niet om de vraag of in het individuele geval de lijfrente voldoet aan de voorwaarden voor belastingfaciliteiten.
De regeling is van toepassing op alle lijfrentevoorzieningen, zowel die zijn getroffen door zelfstandigen als die door werknemers.
De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Nadere beschouwing

Het huidige wetsvoorstel zit al beter in elkaar dan de aankondiging die staatssecretaris Kleinsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eind vorig jaar naar de Tweede Kamer zond. 2)
In die brief was ook al sprake van een maximaal vrij te laten omvang van € 250.000 en een toetsingsperiode van vijf jaar. Ook de maximale grens voor de inleg per jaar van € 6.000 was daarin al opgenomen.
Het pijnpunt zat voor mij in de zin:
“Een pensioenvoorziening in de derde pijler komt in aanmerking voor deze bescherming voor de vermogenstoets als deze voorziening ten minste vijf jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag is getroffen en dat in elk van deze vijf jaar ten minste enige inleg heeft plaatsgevonden.”
Deze zin was opgenomen om misbruik te voorkomen. Voorkoming van misbruik juich ik toe. Maar niet op de manier zoals het in de brief was verwoord. Hierdoor is het noodzakelijk dat de afgelopen vijf jaar ten minste jaarlijks een bedrag in de lijfrentevoorziening moest zijn ingelegd om voor de afkoopbescherming in aanmerking te komen. Dat zou er toe kunnen leiden dat een bijstandsgerechtigde die in een verder verleden een pensioentekort had en dat netjes heeft aangevuld, maar in de recente periode geen jaar- of inhaalruimte had (door een maximale pensioentoezegging) geen recht op deze bescherming zou hebben. Gelukkig zijn de opstellers van het wetsvoorstel tijdig tot het inzicht gekomen dat deze eis niet redelijk is.
Dat neemt niet weg dat als sprake is van inleg in de toetsperiode - dus de periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de bijstandsaanvraag - die inleg alleen buiten beschouwing blijft als:
- in elk van de vijf jaren van de toetsperiode is ingelegd, en
- de inleg per jaar niet meer dan € 6.000 heeft bedragen (en daarbij is middeling niet toegestaan).
Deze laatste eis lijkt te billijken, maar daar valt nog wel op af te dingen als we in aanmerking nemen dat de maximale jaarruimte en reserveringsruimte momenteel € 12.153 respectievelijk € 7.052 3) bedragen.
En waarom de eis dat in elk van de vijf afgelopen jaren moet zijn ingelegd?
Krijgen we dan weer van minimale inlegsituaties van € 1 om maar op dit punt niet in de problemen te komen? Vergelijkbaar met de eis van jaarlijkse inleg in de levensloopregeling om voor de maximale levensloopverlofkorting in aanmerking te komen? 4) Daar zit niemand op te wachten, in ieder geval de uitvoerders van lijfrentevoorzieningen niet.

Voorbeeld
Jack is op 1 oktober 2013 werkloos geworden. Op 1 februari 2016 vraagt hij bijstand aan. Zijn lijfrente-inleg (en –aftrek) is daaraan voorafgaand als volgt geweest:
2011: € 6.500
2012: € 5.000
2013: € 4.000
2014: € 0
2015: € 1.000
Op twee gronden komt de totale inleg van € 16.500 niet in aanmerking voor afkoopbescherming. In  2011 was de inleg hoger dan € 6.000 en in 2014 heeft hij niets ingelegd. De gemeente zou kunnen verlangen om (dit deel van) zijn lijfrenteverzekering te laten afkopen, alvorens tot bijstandverlening over te gaan. De gemeente hoeft dit niet te doen. Het wetsvoorstel bevat namelijk alleen een richtlijn waarin gemeenten zich minimaal moeten houden. Gemeenten behouden de beoordelingsbevoegdheid zodat kan worden voorkomen dat deze voorwaarde in individuele gevallen een onbillijke uitwerking heeft. Het feit dat deze wetgeving er komt is naar mijn mening het bewijs dat dit voor gemeenten moeilijk is (en zeker weer tot ongelijkheid tussen gemeenten zal leiden).

 

Toegegeven, een alternatief ter voorkoming van misbruik is niet eenvoudig te bedenken. Maar bijvoorbeeld aansluiten bij de huidige maximale duur van de WW-uitkering - 38 maanden - ligt wat mij betreft meer voor de hand. Vrijwel iedereen die nog werkzaam is, denkt niet na over eventuele bijstandsproblematiek. Dat komt pas als werkloosheid daadwerkelijk aan de orde is. En zo lang er nog gewerkt wordt, zal vrijwel niemand rekening houden met de maximuminleg van € 6.000 per jaar, maar met de jaarruimte (die dus hoger kan zijn).
Om deze redenen zou het daarom nog beter zijn om aan te sluiten bij individuele WW-duur. Deze oplossingen maken de horizon korter en daarmee beter te overzien. Maar dat aansluiten bij de individuele WW-uitkeringsduur uitvoeringstechnisch wellicht een stap te ver is, kan ik nog begrijpen.
Overigens maakt de Memorie van Toelichting niet alles helder. Dat het uitsluitend gaat om de aard van de lijfrenten en niet om de vraag of in het individuele geval de lijfrente voldoet aan de voorwaarden voor belastingfaciliteiten, kan weer voer voor discussie opleveren. Al is deze toelichting wel goed bedoeld. Het is namelijk nu net niet de bedoeling dat gemeenten precies moeten gaan kijken of de aanvrager wel voldoende jaar- en inhaalruimte had toen hij zijn inleg betaalde.
Overige maatregelen in wetsvoorstel
Zoals de titel van het wetsvoorstel aangeeft, is het doel ook om vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw te bevorderen. Dit punt richt zich met name op de groeiende groep zelfstandigen in Nederland.
Het kabinet vindt het van belang dat de mogelijkheden van voortzetting van de deelname aan de oude pensioenregeling wordt vergroot voor beginnende zelfstandigen en op die wijze de pensioenopbouw te bevorderen. Momenteel bestaat de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting voor maximaal drie jaar. Voor een gewezen werknemer die aansluitend aan de dienstbetrekking winst uit onderneming geniet, is deze periode ruimer namelijk tien jaar. Hier is sprake van een mogelijkheid en zeker geen verplichting (ook niet voor uitvoerders).
Het kabinet constateert dat momenteel gewezen werknemers bij sommige pensioenuitvoerders reeds binnen drie maanden een besluit moeten nemen of zij al dan niet gebruik maken van de in de pensioenregeling opgenomen mogelijkheid van voortgezette deelname. In het wetsvoorstel wordt deze termijn nu opgerekt naar negen maanden. De pensioenregeling hoeft die voortzettingsmogelijkheid niet te bieden. Het blijft een vrijwillige mogelijkheid, maar dan met een ruimere termijn.
Daarnaast omvat het wetsvoorstel nog een ander voorstel inzake de bijstand, maar dat valt buiten het kader van de oudedagsvoorzieningen.

Slotopmerking

Het wetsvoorstel biedt een betere afkoopbescherming bij een bijstandsaanvraag dan op grond van de brief van de staatssecretaris van eind vorig jaar verwacht mocht worden.
Wel kent het wetsvoorstel wat mij betreft enkele ‘haken en ogen’. Dat de inleg in de vijf jaren voorafgaand aan de bijstandsaanvraag niet meer dan € 6.000 mag bedragen, strookt niet met de maximale bedragen voor de jaar- en inhaalruimte. En de eis van jaarlijkse inleg in de afgelopen van vijf jaar - ook al is het maar € 1 - doet naar mijn mening afbreuk aan het doel van het wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel laat nog ruimte aan gemeenten voor eigen beleid als een bijstandsaanvrager niet exact voldoet aan de kaders van dit wetsvoorstel. En dat zal naar mijn verwachting in de toekomst tot nieuwe discussies (en bijbehorende Kamervragen) leiden.

Hieronder is dit artikel als pdf-bestand opgenomen.

1) Kamerstuk 32 043, nr. 195
2) Brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december 2014, Kamerstukken 32 043, nr. 239
3) En voor personen die binnen tien de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken € 13.927
4) Dit lijkt inmiddels te zijn achterhaald door de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant ECLI:NL:RBZWB:2014:6319, 21 augustus 2014