Nieuw staffelbesluit 2012: pensioenruimte in 2014 fors omlaag*

    30 januari 2013

    Op 28 december 2012 is al weer het vijfde (!) besluit over beschikbare-premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten gepubliceerd. Van deze vijf besluiten zijn er op dit moment maar liefst vier inhoudelijk nog van belang:
    A. het besluit van 28 april 2003 1)
    B. het besluit van 23 oktober 2007 2)
    C. het besluit van 21 december 2009 3)
    D. het besluit van 28 december 2012 4)
    In dit artikel neem ik u mee op een ‘beschikbare-premiereis door staffelland’. Ik sta stil bij de inhoud van de diverse besluiten en geef aan wat de actuele praktische toepasbaarheid van elk besluit is. Ook belicht ik de wijzigingen in het laatste staffelbesluit. Tot slot zet ik de huidige fiscale beschikbare premieruimte af tegen de per 1 januari 2014 geldende ruimte en kom tot de conclusie dat deze fors afneemt!

    *Dit artikel - en in het bijzonder de paragraaf ‘Huidige beschikbare premieruimte versus de premieruimte in 2014’ - is op 1 maart 2013 door de auteur herschreven naar de actualiteit. 

    De diverse staffelbesluiten

    A. Besluit uit 2003: nog nodig voor overgangsrecht

    Inhoud

    Het besluit uit 2003 is vervallen. Het besluit is op grond van overgangsrecht alleen nog van belang voor werknemers die vóór 1 januari 1950 zijn geboren. In het besluit is een aantal bijzondere staffels opgenomen. Het gaat om staffels voor de opbouw van prepensioen en ouderdomspensioen op vroegere pensioenleeftijden dan 65 jaar. Voor eerdergenoemde werknemers blijft de wetgeving zoals deze gold op 31 januari 2004 van toepassing. Dat betekent dat de in dit besluit vermelde bijzondere staffels voor deze situaties nog tot 1 januari 2015 gebruikt kunnen worden. Op die datum vervalt het overgangsrecht.

    Actuele praktische toepasbaarheid

    In het besluit van 2009 zijn de bijzondere staffels ongewijzigd overgenomen. In het besluit van 2012 zijn deze bijzondere staffels ook opgenomen, maar dan op basis van geactualiseerde sterftetafels. Dit levert ten opzichte van de besluiten uit 2003 en 2009 hogere beschikbare premies op. De bijzondere staffels uit de besluit uit 2012 kunnen tot 1 januari 2015 worden gebruikt.

    B. Besluit uit 2007: bruto staffels op basis van middelloon

    Inhoud

    In het besluit uit 2007 staan bruto staffels die zijn gericht op opbouw volgens het middelloonstelsel. Met de veronderstelde loopbaanontwikkeling wordt rekening gehouden via het ten opzichte van een eindloonstelsel hogere opbouwpercentage van 2,25%. Er is sprake van bruto staffels, omdat in de beschikbare premie standaard gerekend is met 10% kosten. Bovendien is standaard gerekend met 8% opslag voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (pva). Als de feitelijke kosten en/of opslag voor pva hoger of lager zijn, kunnen de staffels uit het besluit uit 2007 toch gebruikt worden. Het besluit uit 2007 vervalt per 1 januari 2015.

    Actuele praktische toepasbaarheid

    In het besluit uit 2007 zijn ten opzichte van het besluit uit 2003 geactualiseerde sterftetafels gebruikt. 
    Dit levert hogere beschikbare premies op. Het gebruik van bruto staffels uit het besluit uit 2007 ten opzichte van netto staffels uit het besluit uit 2009 is voor een deelnemer niet altijd voordelig. Dit is alleen voordelig als de verzekeraar feitelijk lagere kosten en/of een lagere opslag voor pva dan 10% en 8% hanteert. Alleen dan resteert een hogere netto premie dan bij een netto staffel.

    Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

    Per 1 januari 2014 wordt de pensioenopbouw verlaagd en de pensioenrichtleeftijd verhoogd van 65 naar 67 jaar. De nieuwe beschikbare-premiestaffels die hierbij horen staan in het besluit uit 2012. Alleen staffels uit het besluit uit 2007 die onder de staffels uit het besluit uit 2012 blijven, kunnen tot 1 januari 2015 worden gebruikt. Dit is het geval als de beschikbare premie niet meer dan 86% van de maximale beschikbare premie bedraagt. Hierop kom ik verder in dit artikel terug.
    In het besluit uit 2007 zijn de voorwaarden opgenomen voor regelingen waarbij de beschikbare premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een kapitaal. Als een dergelijke regeling aan de gestelde voorwaarden voldoet, dan is dit fiscaal een beschikbare-premieregeling en volgens de Pensioenwet een kapitaalovereenkomst. Ook voor dit soort regelingen geldt dat zij tot 1 januari 2015 niet hoeven te worden aangepast, als de beschikbare premie minder bedraagt dan op grond van het besluit uit 2012 toegestaan is.

    Aandachtspunt: bruto staffels en feebeloning

    In 2007 is bij het vaststellen van de standaard kosten van 10% in de bruto staffels rekening gehouden met een provisiebeloning. Inmiddels is het wettelijk verbod op provisie op 1 januari 2013 in werking getreden. Pensioenadviseurs laten zich nu op feebasis door de werkgever belonen. Maar ook vóór ingang van het provisieverbod kwam feebeloning al steeds meer voor. De provisiecomponent als onderdeel van de kostenfactor kon in het besluit niet zonder meer worden vervangen door een feebeloning. Een feebeloning is vaak niet vooraf te bepalen. Als sprake is van gehele of gedeeltelijke beloning op feebasis (gedeeltelijk, want voor provisie geldt overgangsrecht), moeten de 10% standaard kosten uit de beschikbare premie worden gehaald. Dit kan door de beschikbare premie(percentages) te delen door 1,1. Bij een fiscaal maximale beschikbare-premieregeling op basis van een bruto staffel waarbij de werkgever aan de adviseur een feebeloning betaalt, is sprake van fiscale bovenmatigheid. Immers in de brutostaffel is rekening gehouden met 10% kostenopslag waarin provisie is meegenomen. Het gevolg van deze bovenmatigheid is, dat de gehele aanspraak als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking bij de werknemer is belast. Bovendien is de werknemer 20% revisierente verschuldigd. Daarom verdienen met name beschikbare-premieregelingen waarbij de toezegging meer bedraagt dan 90,9% (100/1,1) van een fiscaal maximale bruto staffel speciale aandacht als sprake is van een feebeloning.

    C. Besluit uit 2009: netto staffels

    Inhoud

    In het besluit uit 2009 is de wetgever om de kostentransparantie te vergroten overgestapt op publicatie van netto staffels. De in het besluit uit 2009 gepubliceerde staffels zijn gelijk aan die van het besluit uit 2007, maar dan zonder de standaard kosten en opslag voor pva.
    Bij een netto staffel mogen de daadwerkelijke kosten separaat (dus naast de netto staffelpremies) bij de werkgever in rekening worden gebracht. Dit geldt ook voor de door de werkgever aan de adviseur te betalen fee. Hoge kosten of een hoge fee leiden niet tot een fiscaal bovenmatige regeling.
    Als sprake is van beleggingsverzekeringen mogen kosten op fondsniveau (zoals de TER, Total Expense Ratio) en kosten/opslagen voor een bepaalde rendementsgarantie niet apart in rekening worden gebracht. Dit soort kosten/opslagen moeten dus ten laste van de beschikbare premies uit de netto staffel worden gebracht. 5)

    Actuele praktische toepasbaarheid

    Alleen staffels uit het besluit uit 2009 die onder de staffels uit het besluit uit 2012 blijven, kunnen na 1 januari 2014 blijven worden gebruikt. Dit is het geval als de beschikbare premie niet meer dan 86% van de maximale beschikbare premie bedraagt. Hierop kom ik verder in dit artikel terug.

    Aandachtspunt: nu ook netto 3% rekenrentestaffel

    In het besluit uit 2009 zijn de voorwaarden opgenomen voor regelingen waarbij de beschikbare premie direct wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering en voor regelingen gericht op een fiscaal middelloonpensioen. Voor deze laatste soort regelingen is een netto staffel met een rekenrente van 3% gepubliceerd. Dit leidt tot hogere beschikbare premies dan bij netto staffels met een rekenrente van 4%. Een van de voorwaarden waaraan een dergelijke regeling moet voldoen, is dat niet meer pensioen mag worden opgebouwd dan een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Dit betekent dat doorlopend getoetst moet worden of het opgebouwde pensioen niet meer bedraagt dan een fiscaal maximaal middelloonpensioen. Deze toets leidt bij veel uitvoerders tot uitvoeringsproblemen en hoge uitvoeringskosten. In het besluit uit 2012 is hiervoor een oplossing gevonden, zie hierna.

    D. Besluit uit 2012: pensioenrichtleeftijd 67 en verlaagde pensioenopbouw

    Inhoud

    Op 1 januari 2014 verandert de fiscale begrenzing van pensioen (het zogenaamde ‘Witteveenkader’). Dit gebeurt op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP). De pensioenrichtleeftijd in de tweede pijler gaat in dat jaar van 65 jaar naar 67 jaar. Daarnaast wordt de jaarlijkse pensioenopbouw met 0,1% verlaagd. Dit betekent dat vrijwel alle beschikbare-premiestaffels moeten worden aangepast. In het besluit uit 2012 zijn netto staffels opgenomen die zijn gebaseerd op een middelloonpensioen met 2,15% (was 2,25%) jaarlijkse opbouw. Bovendien zijn de staffels uitgebreid met de leeftijdsklasse 65 tot en met 66 jaar. Tot slot zijn geactualiseerde sterftetafels gebruikt. Ten opzichte van de staffels uit 2007 en 2009 zijn de beschikbare premies lager.

    Actuele praktische toepasbaarheid

    De staffels uit het besluit uit 2012 kunnen voor nieuwe regelingen of verlengingen al in 2013 worden gebruikt. Per 1 januari 2014 is het besluit uit 2012 leidend voor het bepalen van de fiscale begrenzing van een beschikbare premieregeling.

    Aandachtspunt: nieuwe voorwaarden voor netto 3%-rekenrentestaffel

    In het besluit uit 2012 zijn nieuwe voorwaarden opgenomen voor toepassing van de netto 3%-rekenrentestaffel.
    De toezegging zal twee begrenzingen moeten hebben, waarbij de deelnemer recht heeft op de laagste van de twee. Deze twee begrenzingen zijn:
    1. ten hoogste een pensioentoezegging passend binnen de kaders van hoofdstuk IIB van de Wet LB;
    2. of indien dit lager is, de pensioenuitkering die men kan aankopen uit de waarde van de beleggingen.

    Als deze voorwaarde in het pensioenreglement is opgenomen, dan kan de doorlopende toets op een fiscaal maximaal middelloonpensioen achterwege blijven. Hiervoor in de plaats komt dan een toets op basis van het actuele loon, waarbij het opbouwpercentage per jaar ten hoogste gesteld mag worden op 2% (in 2013) en 1,9% (in 2014 en volgende jaren). De toets moet plaatsvinden op een aantal zogenaamde ‘eventmomenten’:
    • bij elke waardeoverdracht;
    • bij elke onderlinge ruil van pensioen;
    • bij elke relevante wijziging van de fiscale wetgeving;
    • op elke ingangsdatum van elk soort pensioen;
    • bij - overlijden;
          - echtscheiding / beëindiging partnerrelatie;
          - emigratie
       van een pensioengerechtigde.

    De overige voorwaarden die al in het besluit uit 2009 waren opgenomen blijven ongewijzigd.
    Het besluit maakt de praktische uitvoering van regelingen op basis van de netto 3%-rekenrentestaffel een stuk eenvoudiger. Bij een middelloontoets moeten immers historische gegevens, zoals het pensioengevend salaris en de deeltijdfactor, bewaard en gebruikt worden. 6) Dat is nu niet meer nodig. De beschikbare premies zijn ten opzichte van een 4%-rekenrentestaffel hoger. Dit leidt tot een realistischer pensioen. Dat komt ook omdat de 3% rekenrente beter aansluit bij de in de tarieven van de verzekeraar gehanteerde rekenrente. Nu deze administratieve belemmeringen fiscaal zijn weggenomen, verwacht ik een toename van dit soort regelingen.  

    Onduidelijke data in besluit uit 2012

    In het besluit uit 2012 wordt vermeld dat het besluit op 1 januari 2014 in werking treedt. Op zich is dat juist, want het gewijzigde Witteveenkader treedt ook op 1 januari 2014 in werking. Het besluit moet dus per 1 januari 2014 worden toegepast, maar mag al eerder worden toegepast.
    Ook de datum waarop het besluit uit 2007 komt te vervallen, is onduidelijk. In het besluit uit 2009 staat dat dit 1 januari 2015 is, maar in het besluit uit 2012 staat 1 januari 2014. Omdat er geen aanleiding is om op het eerder ingenomen besluit terug te komen, lijkt het logisch dat ook hier bedoeld is dat het besluit uit 2007 alleen nog in 2014 kan worden gebruikt binnen de fiscale begrenzing van het besluit uit 2012. Vervolgens vervalt het besluit uit 2007 per 1 januari 2015. Het besluit is op 12 februari opnieuw uitgebracht. De vervaldatum van het besluit uit 2007, 1 januari 2015, is nu wel juist vermeld.
    Tot zo ver de inhoudelijke behandeling van de besluiten.

    Huidige beschikbare premieruimte versus de premieruimte in 2014

    Hoe de staffels en de hieruit voortvloeiende beschikbare premies uit de diverse besluiten zich tot elkaar verhouden wat betreft de maximale fiscale premieruimte laat zich het best aflezen in een tabel met bijbehorende grafiek. Als uitgangspunt dient staffel II (ouderdomspensioen in combinatie met uitgesteld opgebouwd partnerpensioen).
    Om de tabel mogelijk te maken zijn drie stappen gevolgd:
    1. bij de besluiten uit 2003, 2007 en 2009 zijn de staffels gekozen die behoren bij een opbouwpercentage per dienstjaar van 2,25% en een pensioenleeftijd van 65 jaar;
    2. de bruto staffelpercentages uit de besluiten uit 2003 en 2007 zijn herleid naar netto staffelpercentages door deze te ontdoen van de standaard kosten (100/1,1) en opslag voor pva (100/1,08);
    3. bij de staffel uit het besluit uit 2012 is de bij pensioenleeftijd 67 behorende staffel gekozen met het opbouwpercentage per dienstjaar van 2,15%. De staffel kan ook worden gebruikt bij een pensioenleeftijd van 65 jaar. 7)

    Het resultaat van deze drie stappen is weergegeven in de volgende tabel:

    In een grafiek ziet het er als volgt uit:

    Conclusie

    De maximaal beschikbare premie volgens het staffelbesluit uit 2012 bedraagt in de meest ongunstige situatie ruim 86% van de beschikbare premie volgens het staffelbesluit uit 2009. Anders gezegd: per 1 januari 2014 wordt de beschikbare premieruimte met bijna 14% verlaagd! En dat klinkt toch heel anders dan een verlaging van de jaarlijkse pensioenopbouw met 0,1% in combinatie met een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met twee jaar…...
    Om te toetsen of bestaande beschikbare premieregelingen binnen het nieuwe Witteveenkader vallen, mag een toezegging (veiligheidshalve) niet meer dan 86% van de betreffende maximale staffel omvatten. Dit geldt uiteraard alleen als ook sprake is van een regeling met een fiscaal minimale franchise en een maximaal pensioengevend loon.

    Opmerkelijk is dat het effect van de verhoging van de pensioenleeftijd en de verlaging van de jaarlijkse pensioenopbouw minder zichtbaar is bij beschikbare premieregelingen dan bij eindloon- en middelloonregelingen. Bij deze laatste regelingen neemt de jaarlijkse opbouw in 2014 op 65-jarige leeftijd ten opzichte van nu met bijna 19% af. Dit zou je een zeer forse afname kunnen noemen. Bij beschikbare premieregelingen is de afname dus zo’n 7% minder. Wat minder fors, maar dat komt door het gebruik van de meest recente overlevingstafels (GBM/GBV 2005-2010). Dit werkt wat betreft de jaarlijkse opbouw bij beschikbare premieregelingen wel door in de jaarlijkse opbouw en bij eindloon- en middelloonregelingen niet.

    Tot slot

    Pensioenuitvoerders en adviseurs hebben te maken met gestapelde nieuwe wet- en regelgeving. Niet alleen het Witteveenkader wordt per 1 januari 2014 beperkt, maar ook de AOW-leeftijd is inmiddels verhoogd en gaat stapsgewijs verder omhoog. Bij de verhoging van de pensioenrichtleeftijd dient zich ook de vraag aan of bestaande rechten op een eerdere pensioenleeftijd bevroren moeten worden of moeten worden omgerekend naar één nieuwe pensioenleeftijd. 
    In het Regeerakkoord is voorzien in een verdere beperking van de pensioenopbouw en een snellere verhoging van de pensioenleeftijd. Naar verwachting zal de parlementaire behandeling van de nog in te dienen wetsvoorstellen medio 2013 plaatsvinden. Een verdere beperking van de beschikbare premieruimte naar 50% van het huidige niveau is daarbij niet ondenkbaar!
    Voor nieuwe regelingen en voor op korte termijn te verlengen regelingen geldt, dat het raadzaam is de werkgever en werknemers over deze problematiek te informeren. Op die manier kunnen zij er rekening mee houden dat de pensioenregeling mogelijk nog een aantal keren aangepast zal moeten worden. Door bovenstaande stapeling van wetgeving is het niet eenvoudig, zo niet onmogelijk, om een voor een wat langere periode ‘wijzigingsbestendige’ pensioenregeling aan te bieden of te adviseren. Wat wel mogelijk is, is ervoor te zorgen dat een pensioenregeling binnen de op dat moment geldende fiscale begrenzing blijft. Dat is belangrijk, want bij overschrijding van de fiscale begrenzing zijn de gevolgen ingrijpend: de gehele aanspraak is als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van de werknemer belast en de werknemer is 20% revisierente verschuldigd.

    1) Besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M

    2) Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt.nr. 212

    3) Besluit van 21 december 2009, nr. CPP2009/1487M, Stcrt.nr. 20523

    4) Besluit van 13 december 2012, nr. BLKB 2012/1761M, Stcrt. nr. 26836 Dit besluit is op 12 februari 2013 onder nummer BLKB 2013/43M opnieuw uitgebracht, omdat een aantal jaartallen verkeerd was vermeld. Inhoudelijk zijn geen andere wijzigingen beoogd.

    5) CAP, Handreiking voor de toepassing van het besluit d.d. 21 december 2009, CPP2009/1487M, beschikbare premieregelingen en premie- en kapitaalovereenkomsten (versie 28 mei 2010)

    6) Zie ook Financieel Actief, 27 juni 2012 ‘3% rekenrentestaffel praktisch toepasbaar?’, drs. Kees van Oostwaard en mr. Jos Gielink 

    7) CAP, Vraag en Antwoord 12-004 d.d. 17 juni 2012