Restbegunstiging

28 februari 2015

Vraag:
Een klant is overleden. Hij bouwde door een toezegging van zijn werkgever pensioen op bij een pensioenverzekeraar. Het betrof een premievrije overeenkomst waarop de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) van toepassing is. De klant heeft enige tijd samengewoond, maar dat was niet meer het geval toen hij overleed. Op de pensioenpolis staat dat als er geen uitkering bij leven kan plaatsvinden, zijn partner/echtgenoot het pensioenkapitaal kan aanwenden voor partnerpensioen, en als er geen partner is, zijn kinderen. Ontbreken die ook of zijn de kinderen ouder dan dertig jaar, dan krijgen de erfgenamen het kapitaal ter beschikking.
Nu er geen partner en kwalificerende kinderen (meer) zijn, wat kunnen de erfgenamen met het pensioenkapitaal?
Antwoord:
Van de zogenoemde restbegunstiging waarop in de vraag wordt gedoeld, kan naar de mening van de Belastingdienst alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Dit standpunt is mede gebaseerd op de parlementaire behandeling waarin is gesteld:
"Restbegunstiging" is een verwaarloosbaar kleine kans dat bij het overlijden van een werknemer voor de pensioendatum een kapitaal uit hoofde van de pensioenregeling ineens wordt uitgekeerd aan een erfgenaam die niet tot de kring van verzorgden in de zin van artikel 18 (thans artikel 11, derde lid) van de Wet op de loonbelasting 1964 behoort. Een statistisch aantoonbare verwaarloosbare kans omdat in de "standaardsituatie" het tot uitkering komende kapitaal altijd wordt aangewend voor aankoop van een nabestaanden en/of wezenpensioen. (...)".
Dit kan alleen spelen in de opbouwfase (in de uitkeringsfase wordt uitsluitend een ouderdomspensioen en/of een partner-/wezenpensioen aangekocht).
Uit het vorenstaande volgt dat restbegunstiging feitelijk alleen mogelijk is als er een partner in de opbouwfase is. Is er niet langer een partner, dan zal de deelnemer de begunstiging van zijn pensioenverzekering moeten laten aanpassen. In de praktijk stelt de Belastingdienst zich daarbij op het standpunt dat een dergelijke aanpassing binnen drie maanden na het verbreken van de relatie of het overlijden van de partner moet plaatsvinden.
Uit de vraag blijkt niet hoe lang geleden de relatie verbroken is. Is dat korter dan drie maanden, dan kan uitkering (ineens) aan de erfgenamen zonder meer - maar wel met inhouding van loonheffing - plaatsvinden. Heeft het verbreken van de relatie langer dan drie maanden geleden plaatsgevonden, dan zouden fiscale sancties (volledige aanspraak belast en 20% revisierente) van toepassing kunnen zijn.
‘Erfgenamen’ kwalificeren op een pensioenverzekering die onder de werking van de Pensioenwet is gesloten niet als begunstigden. De situatie als hiervoor beschreven kan zich bij een dergelijke overeenkomst dus niet voordoen. Het is wel mogelijk dat ‘kinderen’ als begunstigde(n) zijn opgenomen, maar dat deze ten tijde van het overlijden van de deelnemer ouder zijn dan dertig jaar. Fiscaal gedragen deze kinderen zich dan als ‘erfgenaam’.

Deze rubriek wordt verzorgd door:
Fiscale Zaken Vivat Verzekeringen