FA Nieuwsbrief december 2013

Jaargang 2 nummer 7

Aan het slot van 2013 kwam er weer genoeg op ons af. Een woonakkoord dat het mogelijk niet zou halen, het einde voor nieuw te sluiten goudenhanddrukstamrechten en op de valreep nog een pensioenakkoord. En niet te vergeten verlaagde opbouwpercentages voor pensioen die gaan gelden met ingang van 1 januari 2014. De stamrechten en de wijzigingen op pensioenterrein zullen de komende periode nog tot de nodige stress gaan leiden.

In het artikel ‘De laatste loodjes van 2013 …’ zijn alle belangrijke wijzigingen op het terrein van eigen woning, pensioen, goudenhanddrukstamrechten en lijfrente op een rij gezet en voorzien van kritische kanttekeningen.

De fiscale en sociale cijfers voor 2014 zijn gepubliceerd en wij hebben een selectie opgenomen. Daarbij moeten we een voorbehoud maken, omdat ook officieel gepubliceerde cijfers wel eens op het laatste moment worden aangepast.

Verder hebben we nog een Praktijkcase waarin wordt ingegaan op de wijziging van de tijdelijke oudedagslijfrente per 1 januari 2014. Aangezien deze wijziging al in 2012 in het Belastingplan 2013 was opgenomen, heeft niet iedereen deze aanpassing meer in het vizier.

Tot slot wens ik u - mede namens de andere redactieleden - fijne feestdagen en een gezond en voorspoedig 2014 toe.

[[{"type":"media","view_mode":"media_large","fid":"210","attributes":{"alt":"","class":"media-image","height":"100","typeof":"foaf:Image","width":"100"}}]]

drs. Kees van Oostwaard
Eindredacteur Financieel Actief

Artikelen

De laatste loodjes van 2013 …

Kees van Oostwaard Athora

Traditiegetrouw stemt de Eerste Kamer vlak vóór het Kerstreces over de Belastingplannen van het komende jaar. Zo ook in 2013. Maar dit jaar kwam daar nog het zogenoemde woonakkoord bij, dat ook fiscale aanpassingen voor eigenaren van een eigen woning bevat. En de uitslag van de stemming in de Eerste Kamer over het woonakkoord zou weer van invloed zijn op de totstandkoming van het ‘nieuwe’ pensioenakkoord.
En zo hangt in de politiek alles aan elkaar, en lijkt de inhoud minder van belang. In dit artikel geef ik een overzicht van de laatste ontwikkelingen, met focus juist op de inhoud.

Woonakkoord

Het wetsvoorstel Maatregelen woningmarkt 2014 II 1) is met 38 stemmen voor en 37 stemmen tegen op 17 december 2013 aanvaard door de Eerste Kamer. De discussie draaide – met senator Duivestein als middelpunt -  om de zogenoemde verhuurdersheffing en niet om de fiscale maatregelen voor eigen woningen in het wetsvoorstel.
De belangrijkste maatregel is de verlaging van de maximale hypotheekrenteaftrek in stapjes van 0,5% per jaar naar het tarief van de derde schijf (momenteel 42%) 2). De aanpassing van het tarief waartegen wordt afgetrokken ziet niet alleen op de betaalde rente, maar op alle aftrekbare kosten in verband met de eigen woning. Dus ook op kosten van geldleningen.
Als gevolg van de nu aangenomen wet bedraagt het percentage waartegen de eigenwoningrente kan worden afgetrokken, in 2014 maximaal 51,5%.
Naast de geleidelijke daling van de maximale renteaftrek, bevat het aangenomen wetsvoorstel meer fiscale aanpassingen op het terrein van de eigen woning. Het gaat dan met name om maatregelen die al in een besluit waren geregeld, maar nu in de wet worden verankerd. Een kleine greep hieruit:

  • De schuld van een belastingplichtige aan een aannemer of projectontwikkelaar, in de periode tussen het tekenen van de koop- of aannemingsovereenkomst en het leveren van de onroerende zaak of aflossen van die schuld, wordt aangemerkt als eigenwoningschuld. De voorwaarden voor ‘reguliere’ eigenwoningschulden (met name het annuïtaire aflossingsvereiste) gelden in die periode niet.
  • Een door de stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) verstrekte starterslening wordt aangemerkt als een bestaande eigenwoningschuld als deze starterslening vóór 1 januari 2017 is aangegaan. Voor deze starterslening geldt geen aflossingseis en informatieplicht als voorwaarde voor renteaftrek.
  • Voor het KEW-regime wordt – net als voor de eigenwoningschuld - een oversluitdefinitie opgenomen. Hierdoor kan een KEW onder voorwaarden herleven.
  • Voor belastingplichtigen die vanaf 2001 een deel van de dertigjaarstermijn hebben verbruikt maar die geen gebruik (meer) kunnen maken van het overgangsrecht, is geregeld dat zij niet in het restant van die dertigjaarstermijn ten minste volgens een annuïtair schema volledig moeten aflossen. Zij mogen ook een annuïtaire lening met een looptijd van dertig jaar afsluiten, waarbij voor het restant van de al deels verbruikte dertigjaarstermijn toch een recht op renteaftrek geldt (de dertigjaarstermijn wordt dus niet opgerekt).

Het is te hopen dat er nu voor wat betreft fiscale maatregelen voor de woningmarkt eindelijk een periode van rust aanbreekt.

Pensioenakkoord

Een dag nadat de Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Maatregelen woningmarkt 2014 II, hebben coalitiepartijen VVD en PvdA samen met D’66, SGP en ChristenUnie een pensioenakkoord gesloten. Staatssecretaris Weekers van Financiën en staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben nog dezelfde dag een brief 3) over het akkoord naar de Tweede Kamer gezonden.
De brief geeft de hoofdpunten van het gesloten akkoord weer:

  • Premiewaarborgen en toezicht door de Nederlandsche Bank (DNB)
  • Aanpassing van opbouw- en premiepercentages
  • Versterking positie ZZP’ers
  • Dialoog over toekomst pensioenstelsel
  • Mogelijkheid inzet werknemersdeel pensioenpremie voor aflossing eigen woning

Premiewaarborgen en toezicht DNB

De voorgestelde aanpassing van het Witteveenkader moet leiden tot een premieverlaging, zodat werknemers meer bestedingsruimte overhouden. In totaal zijn negen waarborgen afgesproken, zoals verplichte transparantie voor pensioenfondsen over de premieopbouw en de verplichting de premieopbouw voorafgaand aan de premievaststelling voor advies voor te leggen aan het verantwoordingsorgaan. Ook krijgt de DNB de mogelijkheid een ‘generatie-evenwichtstoets’ uit te voeren. Kortom: de juridische pensioenwetgeving zal flink worden uitgebreid.

Aanpassing opbouw- en premiepercentages

De verlaging van het Witteveenkader van 2,15% (2014) naar 1,75% middelloon (vanaf 2015) ging een meerderheid in de Eerste Kamer te ver. Daarom wordt het eerder voorgestelde percentage verhoogd tot 1,875 4). De eerder voorgestelde aftoppingsgrens van het pensioengevend inkomen op € 100.000 blijft in stand. Daarnaast kan over het inkomen boven deze grens vanuit het netto inkomen worden gespaard: de nettolijfrentespaarfaciliteit. Hiervoor geldt een vrijstelling in box 3.
Het lijfrentekader en de fiscale oudedagsreserve worden overeenkomstig aangepast.
De verruimde opbouwmogelijkheden worden gefinancierd uit de volgende maatregelen:

  • Afschaffing BTW koepelvrijstelling voor pensioenuitvoering (pensioenfondsen en verzekeraars)
  • Verhoging leeftijdsgrens mobiliteitsbonus uitkeringsgerechtigden van 50 naar 56 jaar
  • Inzet van een deel van de middelen die bestemd waren voor lastenverlichting voor het bedrijfsleven

Alle maatregelen moeten (nog steeds) in 2015 ingaan. Dat betekent dus weer werk aan de winkel voor werkgevers, werknemers en uitvoerders. Die zijn momenteel nog druk bezig met de wijzigingen in verband met de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar per 1 januari 2014.

Versterking positie ZZP’ers

Door een werkgroep bestaande uit de grootste zzp-organisaties wordt momenteel de laatste hand gelegd aan een pensioenregeling voor zzp-ers. Daarnaast wordt het mogelijk om bij arbeidsongeschiktheid het derdepijlerpensioen (lijfrente) aan te spreken. Hoe sympathiek deze maatregel ook op het eerste gezicht lijkt, denk ik dat dit alleen maar leidt tot een verschuiving van het financiële probleem van de arbeidsongeschikte naar de toekomst. Een andere maatregel is dat de lijfrente ook buiten de vermogenstoets voor de bijstand blijft, ook voor werknemers. Dit is nu uitsluitend het geval voor het tweedepijlerpensioen. Om oneigenlijk gebruik tegen te gaan geldt de bescherming niet als in de vijf jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag onregelmatig of stijgende premies zijn ingelegd en geldt er een maximum – twee maal de AOW – voor deze bescherming.
Tot slot gaat het kabinet monitoren hoe pensioenfondsen omgaan met de mogelijkheid om na een dienstbetrekking de pensioenopbouw voort te zetten en gaat er een wettelijke termijn van negen maanden gelden waarin ex-werknemers kunnen beslissen of zij hun pensioenopbouw vrijwillig willen voortzetten.

Dialoog over toekomst pensioenstelsel

Opvallend is dat het kabinet in 2014 een ‘brede dialoog’ wil starten over de ‘lange termijn toekomst van ons pensioenstelsel’. Dit is opvallend, omdat de volgorde bijzonder is. Eerst de opbouwmogelijkheden drastisch neerwaarts aanpassen en dan pas gaan praten hoe het pensioenstelsel er eigenlijk uit zou moeten zien. Oftewel: eerst doen en dan denken. Als kind word je al een andere volgorde geleerd. Maar het is uiteraard wel een goede zaak om over de toekomst van het pensioenstelsel na te denken. Ook de SER wordt gevraagd uiterlijk eind 2014 hierover een advies te geven.

Mogelijkheid inzet werknemersdeel pensioenpremie voor aflossing eigen woning

Het plan wordt gepresenteerd als iets nieuws, maar echt nieuw is het idee niet: gebruik van het werknemersdeel van de pensioenpremie voor extra aflossing van de hypotheek of als ondersteuning voor starters. Wel nieuw is dat het kabinet bereid is om dergelijke keuzemogelijkheden te bieden en te verkennen hoe dit zorgvuldig op korte termijn mogelijk kan worden gemaakt.
Mijn idee hierover: laat dit onderdeel zijn van de hiervoor genoemde pensioendialoog die voor 2014 is aangekondigd en onderneem op dit vlak geen overhaaste stappen.

Belastingplan 2014

Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 17 december 2013 het Belastingpakket 2014 - waaronder het wetsvoorstel Belastingplan 2014 – aangenomen. De behandeling van het belastingplan door de senatoren heeft weinig nieuws opgeleverd.
Zoals eerder gemeld in Financieel Actief, omvat het Belastingplan 2014 onder meer de volgende maatregelen:

  • Een tijdelijke verhoging van de eenmalige vrijstelling voor schenkingen in het kader van de eigen woning tot € 100.000
  • De eenmalige crisisheffing wordt verlengd met een heffing over 2013
  • Geen inflatiecorrectie voor de belastingschijven
  • Afschaffing stamrechtvrijstelling met overgangsrecht voor bestaande gevallen

En op dit laatste punt had nog meer duidelijkheid mogen komen, vooral over het terrein van het overgangsrecht.
In de schriftelijke ronde is uitsluitend stil gestaan bij gedeeltelijke opnames van het stamrechttegoed en het al dan niet introduceren van een hardheidsclausule voor stortingen van stamrechtkapitalen op of net na 15 november 2013. De uitkomst van dat laatste punt stond bij voorbaat eigenlijk al vast. De staatssecretaris wenst vast te houden aan de eis dat de gelden vóór 15 november 2013 door de werkgever moesten zijn overgemaakt om in 2014 gebruik te kunnen maken van de 80%-regeling 5).
Verder heeft de staatssecretaris aangegeven dat een gedeeltelijke opname niet leidt tot belastingheffing over de volledige aanspraak 6). Alleen voor toepassing van de 80%-regeling schrijft de wet nog een uitkering ineens – dus van het volledige kapitaal – voor.
Tijdens de mondelinge behandeling wordt nog wel een poging gedaan door D’66 senator Van Boxtel met een vraag naar de werking naar de termijn van maximaal zes maanden na 2013, maar die doet de staatssecretaris af met een verwijzing naar de website van het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP).
Het CAP heeft – samengevat - de volgende voorwaarden gepubliceerd:

  • Het ontslag moet in 2013 zijn aangezegd en de ontslagdatum moet op 31 december 2013 vaststaan.
  • De dienstbetrekking wordt binnen een korte termijn na het vaststellen van de ontslagdatum beëindigd. Van een korte termijn is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn (maximaal zes maanden).
  • Vóór 1 januari 2014 moet door de werkgever een overeenkomst met de betrokken werknemer zijn opgemaakt en ondertekend. Uit de overeenkomst moet blijken aan de werknemer uitsluitend een aanspraak is toegekend die voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, of artikel 11a van de Wet op de loonbelasting 1964.
  • De werknemer gebruikt alleen een uitkering ter vervanging van gederfd of te derven loon voor het aankopen van een stamrecht.

De werknemer mag dus na 31 december 2013 geen keuzemogelijkheid tussen stamrecht en uitkering ineens meer hebben. Het ontbreken van die keuzemogelijkheid doet geen pijn, omdat het stamrechtkapitaal zonder fiscale sancties vanaf 1 januari 2014 ineens mag worden opgenomen. Revisierente is vanaf die datum niet meer verschuldigd. Ook mag het stamrechtkapitaal in delen worden opgenomen (zie hiervoor).
Pijnpunt blijft wat mij betreft de opzegtermijn. Zoals ik al in mijn vorige artikel heb opgemerkt, merk ik dat in de praktijk het begrip ‘korte termijn’ wordt uitgelegd op een wijze dat een ontslag op 30 juni 2014 altijd zal kwalificeren voor het overgangsrecht. Maar dat staat er niet. De wettelijke opzegtermijn start op het moment van opzegging. Als op 1 november 2013 wordt opgezegd, eindigt de (maximale) zesmaandstermijn op 1 mei 2014.
Ten slotte hebben mij signalen bereikt dat de Belastingdienst betaling in termijnen van het stamrecht aan de uitvoerder niet wil toestaan. De ontslagvergoeding moet kort na beëindiging van het dienstverband in zijn geheel naar de uitvoerder worden overgemaakt. Dit blijkt wat mij betreft niet uit de wet.

Slotopmerking

In december 2013 heeft de politiek zeker niet stilgezeten.
Over het overgangsrecht voor goudenhanddrukstamrechten zal helaas het laatste woord nog niet zijn gezegd. Verder is eens te meer duidelijk geworden dat (fiscale) wetgeving niet zo zeer inhoudelijk wordt bediscussieerd, maar vooral ook onderdeel is van politieke ruilhandel. Geen woonakkoord, dan ook geen pensioenakkoord. En binnen dat pensioenakkoord geldt weer: eerst doen en dan nadenken. Dat geeft niet veel vertrouwen voor de (pensioen)toekomst.

1) Kamerstukken 33 819. Dit wetsvoorstel heeft de toevoeging II gekregen, omdat het ook een voorstel bevatte dat niet gericht was op de woningmarkt en waarvoor – op grond van de Grondwet – mogelijk tweederde meerderheid van de Eerste Kamer benodigd is. Het oorspronkelijke wetsvoorstel was opgenomen in Kamerstukken 33 756.
2) Een deel van de belastingopbrengst zal worden teruggegeven, zodat het tarief in de derde schijf uiteindelijk in 2042 38% zal bedragen.
3) Brief van 18 december 2013, kenmerk AFP/2013/865U.
4) Het opbouwpercentage voor eindloon wordt in de brief niet genoemd.
5) Bij opname ineens van het stamrechtkapitaal in 2014 wordt slechts 80% van het kapitaal belast. Zie ook: Belastingplan 2014 aangenomen door Tweede Kamer: nog veel aandachtpunten!
6) Memorie van Antwoord Eerste Kamer, Kamerstukken 33 752 D, pag. 24.

Cijfers 2014

In dit overzicht geven we de belangrijkste fiscale en sociale cijfers voor 2014 weer. Daarbij geven we uitsluitend de officieel gepubliceerde cijfers weer. Ook is het mogelijk dat cijfers nog aangepast worden (niet zelden worden officiële publicaties op een later moment gecorrigeerd).

Wetsartikelen

Algemeen

Schijventarief box 1 jonger dan AOW-leeftijd (in 2014 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 2 maanden)

Belastbaar inkomen meer dan
maar niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven

-
€ 19.645
5,1%
31,15%
36,25%
€ 7.121

€ 19.645
€ 33.363
10,85%
31,15%
42%
€ 12.882

€ 33.363
€ 56.531
42%
 
42%
€ 22.612

€ 56.531
 
52%
 
52%
 

Schijventarief box 1 AOW-leeftijd geboren vanaf 1 januari 1946

Belastbaar inkomen meer dan
maar niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven

-
€ 19.645
5,1%
13,25%
18,35%
€ 3.604

€ 19.645
€ 33.363
10,85%
13,25%
24,1%
€ 6.910

€ 33.363
€ 56.531
42%
 
42%
€ 16.640

€ 56.531
 
52%
 
52%
 

Schijventarief box 1 AOW-leeftijd geboren vóór 1 januari 1946

Belastbaar inkomen meer dan
maar niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven

-
€ 19.645
5,1%
13,25%
18,35%
€ 3.604

€ 19.645
€ 33.555
10,85%
13,25%
24,1%
€ 6.956

€ 33.555
€ 56.531
42%
 
42%
€ 16.605

€ 56.531
 
52%
 
52%
 

 

Hypotheken

 

 Eigen woning

Met ingang van 1 januari 2013 is renteaftrek voor nieuwe eigenwoningschulden alleen mogelijk bij een vooraf (schriftelijk) overeengekomen ten minste annuïtair aflossingsschema van 360 maanden. Voor bestaande leningen geldt eerbiedigende werking.

Eigenwoningforfait

Als de WOZ-waarde meer is dan
maar niet meer dan
bedraagt het forfaitpercentage

-
€ 12.500
nihil

€ 12.500
€ 25.000
0,25%

€ 25.000
€ 50.000
0,4%

€ 50.000
€ 75.000
0,55%

€ 75.000
€ 1.040.000
0,70%

€ 1.040.000
-
€ 7.350 vermeerderd met 1,80% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.040.000

Kapitaalverzekering/spaarrekening/beleggingsrecht eigen woning

Voor de uitkering uit een kapitaalverzekering/spaarrekening/beleggingsrecht eigen woning (KEW/SEW/BEW; box 1) kunnen de volgende vrijstellingen van toepassing zijn:

  • bij 15 tot 20 jaar premiebetaling: maximaal € 36.300
  • bij 20 jaar of meer premiebetaling: maximaal € 160.000

Met ingang van 1 april 2013 geldt de KEW-vrijstelling niet meer behoudens bestaande gevallen.

Kapitaalverzekering

Kapitaalverzekeringen (box 3)

Bezittingsvrijstelling voor op 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekeringen per belastingplichtige

€ 123.428.

Uitvaartproducten vrijgesteld als verzekerd kapitaal dan wel waarde niet meer bedraagt dan € 6.859.

Sparen en beleggen

Sparen en beleggen

Heffingsvrij vermogen box 3

Heffingvrij vermogen per belastingplichtige € 21.139.

Heffingvrij vermogen minderjarige kinderen is met ingang van 2012 vervallen.

Ouderentoeslag (als op 31 december 2013 de AOW-gerechtigde leeftijd is bereikt)

bij een inkomen uit werk en woning (vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek) van:

Meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de ouderentoeslag

-
€ 14.302
€ 27.984

€ 14.302
€ 19.895
€ 13.992

€ 19.895
-
nihil

Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag mag de grondslag sparen en beleggen (rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan

€ 279.708 (gehele jaar dezelfde partner: gezamenlijke grondslag niet meer dan € 559.416).

Vrijstelling groene beleggingen

Vrijstelling groene beleggingen per belastingplichtige € 56.420.

Heffingskorting groene beleggingen 0,7%.

Heffingskortingen durfkapitaal, sociaal-ethische en culturele beleggingen

De heffingskortingen voor beleggingen in durfkapitaal en sociaal-ethische en culturele beleggingen zijn per 1 januari 2013 vervallen.

Levensloop

Voor deelnemers die op 31 december 2011 een saldo van minder dan € 3.000 in levensloopproducten hadden, is het tegoed begin 2013 vrijgevallen.

Deelnemers die op 31 december 2011 een saldo van € 3.000 of meer in levensloopproducten hadden, kunnen tot 2022 gebruik maken van overgangsrecht en jaarlijks 12% van het brutosalaris sparen (mits bij aanvang van het jaar het levenslooptegoed niet meer bedraagt dan 210% van het salaris over het voorafgaande kalenderjaar).

Levensloopverlofkorting: € 205 per jaar van deelname.

Sparen en beleggen

 Pensioen

Opbouwpercentages

De fiscaal maximale opbouwpercentages  per dienstjaar zijn per 1 januari 2014:

  • 2,15% over de pensioengrondslag voor middelloon
  • 1,9% over de pensioengrondslag voor eindloon

Fiscaal minimale franchise

 
geheel verzekerde pensioen
(deels) eigen beheer

Franchise 10/7 AOW (afgerond)
€ 13.449
€ 19.618

Afwijkende franchisebedragen

Nog niet gepubliceerd

Afkoop klein pensioen

Afkoop van pensioen (art.66 Pensioenwet) is toegestaan als de pensioenuitkering niet meer bedraagt dan

€ 458,06 per jaar.

Lijfrente

 Lijfrente

Lijfrenteaftrek

Met ingang van 1 januari 2013 geldt een provisieverbod. Betaalde vergoedingen aan (financieel) adviseurs in het kader van lijfrente zijn met ingang van die datum niet langer aftrekbaar.

 
(Maximum) bedrag

Jaarruimte (15,5% van de premiegrondslag)
€ 25.181

Premiegrondslag
€ 162.457

AOW-franchise
€ 11.829

Reserveringsruimte jonger dan 55 jaar en 2 maanden (17% van de premiegrondslag)
€ 6.989

Reserveringsruimte 55 jaar en 2 maanden, en ouder (15,5% van de premiegrondslag)
€ 13.802

Stakende ondernemers ten hoogste 5 jaar jonger dan AOW-leeftijd, 45% of meer arbeidsongeschikt of bij staken door overlijden
€ 443.059

Stakende ondernemers tussen 15 en 5 jaar jonger dan AOW-leeftijd of als lijfrenteuitkeringen direct ingaan
€ 221.537

Stakende ondernemers in overige gevallen

€ 110.774

Oudedagsreserve (10,9% van de winst, maar maximaal)
€ 9.542

Lijfrenteuitkeringen

 
Maximale jaaruitkering

Overbruggingslijfrente
€ 63.288

Tijdelijke oudedagslijfrente*
€ 20.953

* Met ingang van 1 januari 2014 mag de tijdelijke oudedagslijfrente niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt, en niet later dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd plus vijf jaar wordt bereikt. Voor bestaande rechten geldt overgangsrecht.

Afkoop

Geen revisierente is bij afkoop verschuldigd als de waarde van de lijfrenteverzekering of lijfrenterekening niet meer bedraagt dan € 4.242. Voor deze grens moeten meerdere lijfrenteverzekeringen of - rekeningen bij dezelfde uitvoerder bij elkaar worden geteld.

Gouden handdruk

 Gouden handdruk

Per 1 januari 2014 vervalt de stamrechtvrijstelling voor nieuwe gevallen.

Voor op 31 december 2013 bestaande aanspraken geldt overgangsrecht. Van een op 31 december 2013 bestaande aanspraak is in ieder geval sprake indien aan de volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:

  • De aard en de omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak is op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar.
  • Vóór 1 januari 2014 dient een vaststellingsovereenkomst te zijn getekend, waaruit het stamrecht blijkt dat aan de wettelijke vereisten voldoet.
  • De ontslagdatum dient op 31 december 2013 vast te staan. Het feitelijke ontslag hoeft niet per se in 2013 te zijn gelegen. Wel moet het aangezegd zijn vóór 1 januari 2014 en moet het
  • binnen een korte termijn worden uitgevoerd. Van een korte termijn is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn.

Bij gehele of gedeeltelijke opname na 31 december 2013 is geen revisierente verschuldigd en wordt alleen het bedrag van de opname belast.

Bij opname ineens van de volledige aanspraak in 2014 wordt 80% van de waarde belast.

Zie ook het artikel De laatste loodjes van 2013 ...

Arbeidsongeschikt

 Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

Met ingang van 1 januari 2013 geldt een provisieverbod. Betaalde vergoedingen aan (financieel) adviseurs in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn met ingang van die datum niet langer aftrekbaar.

Kapitaalverzekering

 Schenk- en erfbelasting

Tarieven schenk en -erfbelasting

Deel van de belaste verkrijging
Tariefgroep 1 (partners en kinderen)
Tariefgroep 1A (kleinkinderen)
Tariefgroep 2 (overige verkrijgers)

€ 0 - € 117.214
10%
18%
30%

€ 117.214 - hoger
20%
36%
40%

Vrijstellingen schenkbelasting

Kinderen
€ 5.229

Kinderen 18 - 40 jaar (eenmalig)
€ 25.096

Kinderen 18 - 40 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor aankoop

huis of voor een studie

€ 52.281

Tijdelijk verruimde vrijstelling voor eigen woning (van 1 oktober 2013 tot 1 januari 2015)

Begunstigde hoeft geen kind of familielid te zijn, geen leeftijdsgrens, ook voor aflossing restschuld, zowel schenking als besteding moet vóór1 januari 2015
€ 100.000

Overige verkrijgers
€ 2.092

Vrijstellingen erfbelasting

Partners
€ 627.367

Kinderen en kleinkinderen
€ 19.868

Bepaalde zieke en gehandicapte kinderen
€ 59.601

Ouders
€ 47.053

Overige verkrijgers
€ 2.092

 

Tijdelijke oudedagslijfrente en overgangsrecht

Vraag:

Per 1 januari 2014 wijzigen de vroegste en de uiterste ingangsdatum voor een tijdelijke oudedagslijfrente. Wat kan een klant nu het beste doen?

Antwoord:

Momenteel is het vroegste moment waarop een tijdelijke oudedagslijfrente kan ingaan het jaar waarin de klant de 65-jarige leeftijd bereikt. En de tijdelijke oudedagslijfrente mag niet later ingaan dan het jaar waarin de 70-jarige leeftijd wordt bereikt.

Vanaf 1 januari 2014 mag deze lijfrentevorm niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt, en niet later dan in het jaar waarin de AOW-leeftijd plus vijf jaar wordt bereikt. Doordat de AOW-leeftijd nu nog met kleine stapjes omhoog gaat, zal er in de eerste jaren nog weinig onderscheid zijn tussen de oude en de nieuwe regels.

Voor op 31 december 2013 bestaande lijfrentekapitalen geldt overgangsrecht. Voor dat kapitaal kan namelijk nog een tijdelijke oudedagslijfrente starten in het jaar waarin de klant de 65-jarige leeftijd bereikt. Wordt in hetzelfde lijfrenteproduct (een specifieke lijfrenterekening of –verzekering) nog ingelegd vanaf 1 januari 2014, dan kan het tegoed opgebouwd vanaf die datum niet worden aangewend voor een tijdelijke oudedagslijfrente die ingaat het jaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. En dat geldt ook voor het rendement dat ziet op kapitaal opgebouwd tot en met 31 december 2013. Daarvoor geldt als vroegste ingangsmoment het jaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt.

Wenst de klant dat ook het rendement dat op de 'oude inleg' wordt verkregen na 31 december 2013 kan worden aangewend voor een tijdelijke oudedagslijfrente die ingaat het jaar waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt? Dan moet hij voor nieuwe stortingen in 2014 (en later) een nieuwe lijfrenterekening (of –verzekering) starten. En daarop de nieuwe stortingen verrichten.

Dus als uw klant alle mogelijkheden wil openhouden, is het openen van een nieuwe lijfrenterekening of –verzekering en daarop vanaf 1 januari 2014 storten de beste optie. Zeker bij automatische incasso is snelle actie geboden!

Overigens geldt voor zowel kapitalen opgebouwd vóór of vanaf 1 januari 2014 dat de uitkeringen uiterlijk moeten ingaan in het jaar waarin de AOW-leeftijd plus vijf jaar wordt bereikt.

Deze rubriek wordt verzorgd door:

Fiscale Zaken SNS REAAL

 

Korte berichten

Moties over pensioen door Tweede Kamer aangenomen en verworpen

Op 5 december heeft de Tweede Kamer een tweetal moties op het terrein van pensioenen aangenomen.
In de motie van het Kamerlid Klein wordt de regering verzocht de mogelijkheden tot het invoeren van een flexibele AOW qua financiële kosten en maatschappelijke opbrengsten te onderzoeken.
Nu  de zogenoemde pensioenknip wordt afgeschaft, verzoekt het Kamerlid Lodders de regering om een meer flexibele pensioenaankoop mogelijk te maken. Daarbij kan gedacht worden aan meerdere aankoopmomenten of het gebruik van banksparen. Deze mogelijkheden moeten bijdragen aan een mogelijk hogere pensioenuitkering voor beschikbarepremieregelingen en kapitaalregelingen.
De moties van Klein en Lodders zijn aangenomen.
Een motie van de Kamerleden Ulenbelt en Klein haalde het niet. In deze motie geven deze Kamerleden aan dat voor een goed pensioen een opbouw van ten minste 2% (per dienstjaar) noodzakelijk is. Zij verzoeken de regering om alleen een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer te sturen dat uitgaat van ten minste een opbouwpercentage van 2%.
(Kamerstukken 33 750 XV, nr.49, en Kamerstukken 32 043, nrs. 185 en 181)

Wetsvoorstel Maatregelen woningmarkt 2014 aangenomen door Tweede Kamer

De Tweede Kamer heeft op 12 november ingestemd met het wetsvoorstel Maatregelen woningmarkt 2014. De opbrengst van de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning wordt anders aan belastingplichtigen teruggegeven dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel was voorzien. Het tarief van de vierde schijf IB/LB gaat vanaf het jaar 2018 in stapjes omlaag naar 49,50% in het jaar 2042. Daarnaast wordt het einde van de derde schijf aangepast. Voorts gaat het tarief van de tweede en derde schijf gaat langzamer omlaag dan in het eerste wetsvoorstel was voorzien.
De verhoogde schenkingsvrijstelling in het kader van de eigen woning maakt geen deel uit van dit wetsvoorstel. Dit onderdeel is namelijk opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2014.
Het wetsvoorstel Maatregelen woningmarkt 2014 wordt op 16 en 17 december behandeld in de Eerste Kamer. Het is nog zeer de vraag of het wetsvoorstel daar een meerderheid behaalt. Senator Duijvestein wil dat de opbrengsten van de verhuurdersheffing binnen de woningsector worden aangewend. Het wetsvoorstel voorziet daar niet in.
(Kamerstukken 33 756 en ‘Nieuwsuur’ 3 december 2013)
 

Korte berichtenlabel

Korte berichten