Waarde lijfrenteverzekering belast bij niet tijdige vaststelling uitkering of omzetting

Een man heeft een lijfrenteverzekering afgesloten bij een verzekeraar met als einddatum 1 maart 2017. De man heeft niet uiterlijk 31 december 2018 termijnen voor de uitkering vast laten stellen of gekozen om de lijfrenteverzekering om te zetten in een ander lijfrenteproduct. In de aangifte over 2018 heeft hij de waarde van de lijfrenteverzekering niet meegenomen.
In juli 2022 renseigneert de verzekeraar de termijnoverschrijding en informeert deze de man over de mogelijkheden inzake zijn lijfrenteverzekering. Een genoemde mogelijkheid is dat de man 28% van de waarde van de lijfrenteverzekering uitgekeerd kan krijgen. De overige 72% houdt verzekeraar in omdat zij mede aansprakelijk is voor de belastingschuld over de lijfrenteverzekering. Die overige 72% kan de man ontvangen als hij een vrijwaringsverklaring van de Belastingdienst overlegt.
De man verzoekt de inspecteur van de Belastingdienst om toestemming voor uitkering van de gehele afkoopsom van de lijfrenteverzekering door de verzekeraar aan hem. De inspecteur wijst het verzoek om een vrijwaringsverklaring af.
In augustus 2022 informeert de verzekeraar de man dat zij 28% van de waarde van de verzekering uitkeert en dat 72% van diezelfde waarde wordt achtergehouden totdat de verschuldigde belasting en revisierente over de lijfrenteverzekering aan de Belastingdienst is voldaan.
De Belastingdienst legt de man een navorderingsaanslag op. Na afwijzing van het bezwaar tegen de aanslag gaat de man in beroep.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de afkoopsom van de lijfrenteverzekering heeft gerekend tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. De lijfrenteverzekering was op 31 december 2018 nog niet omgezet en er waren nog geen termijnen vastgesteld. De man heeft geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die de inspecteur aanleiding hadden moeten geven om de termijn te verlengen.
De man heeft ook aangevoerd dat de verzekeraar ten onrechte niet meewerkt aan de uitbetaling van het resterende gedeelte van de waarde van zijn lijfrenteverzekering en verzoekt de rechtbank om de verzekeraar op te dragen het restant uit te betalen. De rechtbank geeft aan dat zij niet bevoegd is om te oordelen over de vraag of de verzekeraar het resterende gedeelte van de waarde aan belanghebbende moet uitbetalen. De rechtbank kan uitbetaling van resterende bedrag niet aan de verzekeraar opdragen. 
(Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 februari 2025, nr. 23/9970, ECLI:NL:RBZWB:2025:854)

Noot:
Dit is een bijna klassiek geval van overschrijding van de wettelijke termijn na expiratie van een lijfrente. Op grond van artikel 3.133, derde lid Wet IB 2001 moet uiterlijk 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van expiratie de waarde van de lijfrenteverzekering zijn aangewend voor lijfrente-uitkeringen of zijn omgezet (binnen de kaders van de wet). Op grond van het concept wetsvoorstel Fiscale Verzamelwet 2026 is de wetgever voornemens om de termijn voor de aanwending op te rekken naar de AOW-leeftijd plus 5 jaar, dus onafhankelijk van de expiratiedatum. Dat kan verzekeringnemers in voorkomende gevallen helpen, al is onze vrees dat het ook kan betekenen dat het probleem uiteindelijk in de tijd wordt verlegd.
Overigens is wel opmerkelijk dat de termijn al 31 december 2018 overschreden is, en de verzekeraar pas in 2022 renseigneert. Maar daar kan een goede reden voor zijn.

(maart 2025)