Deeltijdfactor bij de aftopping van pensioengevend loon

De deeltijdfactor bij de aftopping van pensioengevend loon leidt niet tot discriminatie van deeltijdmedewerkers. Dit antwoordt staatssecretaris Wiebes van Financiën op vragen van de Eerste Kamerleden Rinnooy Kan en Schnabel (D66). Daarnaast heeft staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geantwoord op vragen van het Tweede Kamerlid Lodders (VVD) over gebruikelijke omvang van de arbeidsduur bij de aftopping van pensioengevend loon.
De in artikel 18ga Wet LB 1964 opgenomen begrenzing van het pensioengevend loon is bedoeld voor werknemers die zonder deze begrenzing bij een voltijddienstbetrekking een pensioengevend loon van meer dan € 100.000 zouden hebben. Voor werknemers die in een of meerdere deeltijddienstverbanden werken, wordt het maximum overeenkomstig de deeltijdfactor evenredig verlaagd.

Voorbeeld
Een werknemer verdient € 60.000 in een dienstbetrekking met een deeltijdfactor van 0,6. De aftoppingsgrens voor deze werknemer ligt op 0,6 * € 100.000 = € 60.000. Voor deze werknemer vindt geen aftopping van het pensioengevend loon plaats. Zou deze werknemer daarnaast nog een tweede dienstbetrekking vervullen met een deeltijdfactor van 0,4 en een beloning van € 50.000, dan geldt in die dienstbetrekking een pensioengevend loon van maximaal 0,4 * € 100.000 = € 40.000. Tezamen geldt dus een pensioengevend loon van € 100.000 en niet van € 110.000.

De verlaging als gevolg van een deeltijdfactor heeft dus alleen effect als een werknemer gerelateerd aan een voltijddienstverband meer zou verdienen dan het wettelijke maximum van € 100.000. Dit maximum is voor alle werknemers gelijk. Door rekening te houden met de deeltijdfactor kan een werknemer met een of meer deeltijddienstbetrekkingen niet meer pensioen onder de omkeerregel opbouwen dan een werknemer met een voltijddienstbetrekking met in totaal hetzelfde loon.
Staatssecretaris Wiebes antwoordt dat de aftopping op basis van bovenstaand voorbeeld niet leidt tot discriminatie van deeltijdmedewerkers, maar dat de aftopping juist bijdraagt aan een gelijke behandeling van deeltijdwerkers en voltijdwerkers.
Daarnaast heeft Staatssecretaris Klijnsma in een afzonderlijke brief aangegeven dat het bij deze naar evenredigheid toe te passen aftopping van belang is om te kijken naar de in de branche gebruikelijke omvang van de arbeidsduur, zoals deze is vastgelegd in een eventuele cao.
(Bron: Brief staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 18 september 2015, nr. 2015-0000236065; Brief staatssecretaris van Financiën 18 september 2015, nr. DB/2015/277U)

Noot:

Het verbod op discriminatie naar arbeidsduur houdt in dat deeltijdwerkers niet minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter vanwege het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn en vice versa. Zoals hiervoor geïllustreerd in het voorbeeld bewerkstelligt het naar rato aftoppen van het pensioengevend inkomen dat - binnen dezelfde sector - het maximale pensioengevend loon per contractuur gelijk is voor zowel deeltijdwerkers als voltijdwerkers. Van discriminatie naar arbeidsduur is volgens de beide staatssecretarissen derhalve geen sprake. Hoe moet worden omgegaan met de aftopping van het pensioengevend loon bij meerdere dienstbetrekkingen die niet binnen dezelfde sector worden uitgeoefend, is echter niet geheel duidelijk.