De Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst heeft drie gewijzigde standpunten gepubliceerd.
Ingegane oudedagsverplichting en omzetting in lijfrenterekening: minimale uitkeringsduur
Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) wil de oudedagsverplichting (ODV) omzetten in een lijfrenterekening. Op het moment van omzetten is de DGA zestien jaar ouder dan zijn AOW-leeftijd.
Op grond van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 moet de eerste lijfrentetermijn worden uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de AOW-leeftijd plus 5 jaar bereikt. Die leeftijdsgrens geldt ook voor een lijfrente die wordt verkregen door het aanwenden van een ODV. Onder voorwaarden mag de genoemde leeftijdsgrens buiten toepassing worden gelaten (artikel 10a.18, vijfde lid, Wet IB 2001).
De minimale uitkeringsduur is ten minste vijf jaar als het gezamenlijke bedrag aan termijnen niet hoger is dan het bedrag voor de tijdelijke oudedagslijfrenterekening. Bij een hoger bedrag dan is de minimale uitkeringsduur ten minste twintig jaar minus de periode die al verstreken is tussen het moment waarop de gerechtigde de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt en het moment waarop de eerste termijn van de lijfrente wordt uitgekeerd. In het voorbeeld is de DGA zestien jaar ouder dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De minimale uitkeringsduur van twintig jaar wordt verminderd met zestien, dat is vier jaar.
Vervreemden/splitsen van een kapitaalverzekering eigen woning in het kader van echtscheiding
Een man en een vrouw, partners, hebben op beider naam een kapitaalverzekering eigen woning (KEW). De man en vrouw scheiden. Op grond van het echtscheidingsconvenant krijgt de man de eigen woning en de eigenwoningschuld (EWS) toebedeeld. Die toedeling heeft al plaatsgevonden. De vrouw is gaan wonen in een huurwoning. De tenaamstelling van de KEW bij de verzekeraar is ongewijzigd. De kennisgroep geeft aan dat:
- de KEW niet volledig fictief tot uitkering komt, maar slechts voor de helft (voor het aandeel van de vrouw);
- de man kan voor zijn helft van de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling (als wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de vrijstelling);
- de KEW fictief voor de helft tot uitkering komt als de vrouw geen eigen woning meer heeft. De vrouw kan voor haar helft van de KEW gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling zonder dat de uitkering heeft gediend voor aflossing van de EWS;
- haar helft van de verzekering valt na haar verhuizing in box 3 en daarna zonder heffing van inkomstenbelasting kan worden afgekocht.
Volgens de toelichting is het standpunt verduidelijkt en toegespitst op de KEW.
Aftrekbaarheid premies lijfrente meerderjarig invalide (klein)kind
De kennisgroep beantwoordt in dit standpunt vijf vragen:
- Als het (klein)kind als verzekeringnemer is opgenomen en de (groot)ouder als premiebetaler, dan zijn de premies aftrekbaar bij de (groot)ouder die als premiebetaler op de polis is opgenomen.
- Als de (groot)ouder als verzekeringnemer is opgenomen, dan zijn de premies aftrekbaar bij de (groot)ouder die als verzekeringnemer op de polis is opgenomen.
- Een bancaire variant is voor deze lijfrente niet mogelijk.
- Premieaftrek is ook mogelijk als het (klein)kind op het moment van premiebetaling nog niet invalide is, maar gelet op de medische prognose wel invalide zal zijn op het moment dat de uitkeringen ingaan.
- In de Wet IB 2001 is geen getalsmatig maximum voor de premieaftrek opgenomen. Wel geldt als begrenzing dat de lijfrente moet (kunnen) voorzien in het levensonderhoud van het (klein)kind.
De laatste twee vragen zijn nieuw ten opzichte van de vorige publicatie, maar de informatie stond al wel in een ouder lijfrentebesluit.
(Kennisgroepen; KG:070:2022:3, KG:070:2023:2, KG:070:2023:14; publicatiedatum update 20 februari 2026)
(maart 2026)