Geen dwang bij hypotheekverstrekking

Een man en een vrouw willen in 2008 de woning van zijn ouders kopen. Uit de hypotheekaanvraag blijkt dat de man en de vrouw graag zekerheid willen en daarom kiezen voor een rentevastperiode van dertig jaar. In de offerte vermeldt de geldverstrekker dat de man en de vrouw niets willen aflossen en dat er dus een restschuld blijft bestaan. In de offerte is ook de waarschuwing opgenomen dat de financiering is gebaseerd op beide inkomens. En dat als één van de inkomens wegvalt of sterk vermindert zij betalingsproblemen kunnen krijgen.Man en vrouw tekenen de overeenkomst van de hypothecaire geldlening.In oktober 2016 informeert het paar bij de geldverstrekker naar de mogelijkheid om de hypothecaire geldlening te herfinancieren. Daarop brengt de geldverstrekker een aanbod uit voor een nieuwe rentevastperiode van 10 jaar. De boete voor vervroegde aflossing bedraagt ruim € 50.000. De man en de vrouw accepteren dit aanbod niet. In februari 2019 spreken het paar en de geldverstrekker nogmaals met elkaar. De man en de vrouw geven aan dat zij de maandlasten willen verlagen en maandelijks willen gaan aflossen op de hypothecaire geldlening. De geldverstrekker heeft de mogelijkheden onderzocht en concludeert dat het inkomen van het paar het niet toestaat om extra aflossingen te doen naast de maandelijkse rentelasten. Bij herfinanciering bedraagt de boete ongeveer € 40.000.Het paar is het niet eens met de berekende boete en dient een klacht in.Zij zijn van mening dat de geldverstrekker de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. De hypothecaire geldlening is verstrekt op het gezamenlijke inkomen, terwijl het paar in 2008 heeft aangegeven dat de vrouw zwanger was en na de bevalling minder zou gaan werken of zou stoppen met werken. Zij hebben nu moeite om de maandlasten op één inkomen te voldoen. Dat komt doordat de vrouw 2,5 jaar ziek is en geen recht heeft op een uitkering. De geldverstrekker heeft het paar ‘gedwongen’ een aflossingsvrije hypothecaire geldlening met een rentevastperiode van 30 jaar af te nemen. Dit is niet in hun belang omdat zij geen aflossingsvrije hypotheek wilden. Verder zijn zij alleen akkoord gegaan met een rentevastperiode van 30 jaar, omdat de geldverstrekker hen anders geen hypothecaire geldlening zou verstrekken. Zij stellen ook naïef te zijn geweest - ze waren nog jong - en uit onwetendheid voor akkoord te hebben getekend.De uiteindelijk verstrekte hypothecaire geldlening bedraagt ruim 95% van de toegestane jaarlijkse hypotheeklasten. De Geschillencommissie van het KIFID stelt vast dat dit binnen de destijds geldende marges van verantwoorde kredietverstrekking uit de Gedragscode Hypothecaire Financieringen 2007 (GHF) ligt. Uit de stukken blijkt dat het paar wist dat zij de hypothecaire geldlening alleen konden verkrijgen indien deze werd verstrekt op beide inkomens. De Geschillencommissie stelt ook vast dat tot nu toe geen betalingsproblemen zijn ontstaan. Het feit dat de vrouw al 2,5 jaar ziek is en geen recht heeft op een uitkering betreurt de Geschillencommissie, maar het is geen omstandigheid die de geldverstrekker in 2008 had kunnen voorzien. Dit komt redelijkerwijs niet voor rekening en risico van de geldverstrekker. Dit klachtonderdeel acht de Geschillencommissie ongegrond.Verder stelt de Geschillencommissie stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de man en de vrouw een andere hypotheekvorm dan een aflossingsvrije hypotheek wensten. De aflossingscapaciteit van hen is - gelet op de inkomenspositie en de hoogte van de verstrekte hypothecaire geldlening - beperkt.Uit de hypotheekaanvraag blijkt dat het paar zekerheid wenste. Daarom is de rentevastperiode van 30 jaar gekozen. Dit betekent wel dat de boete voor vervroegde aflossing hoog kan zijn. Dat is afhankelijk van de omstandigheden en de variabelen. De Geschillencommissie begrijpt het gevoel van de man en de vrouw dat zij geen andere optie hadden. Maar dit leidt niet tot de conclusie dat sprake is van dwang door de geldverstrekker.De Geschillencommissie oordeelt dat de klachten ongegrond zijn en wijst de vordering af.(Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2020-082, 29 januari 2020)(maart 2020)