Geen strijd met eigendomsrecht bij einde levensloopregeling

Een man heeft drie levensloopverzekeringen bij één verzekeraar. In verband met het eindigen van de wettelijke beëindiging van de levenloopfaciliteit, houdt de verzekeraar over november 2021 loonheffing in op de levenslooptegoeden.
Na afwijzing van het bezwaar door de inspecteur en ongegrond verklaring van het beroep door de rechtbank, gaat de man in hoger beroep bij het gerechtshof.
Volgens de man is geen sprake van belastingheffing in overeenstemming met het recht in de zin van de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Nederlandse hof geeft aan dat bij belastingheffing wordt aangenomen dat sprake is van een inbreuk is op het recht op het ongestoord genot van eigendom. Daarom moet elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in overeenstemming met het recht dient te zijn (‘lawfulness’) en een legitiem doel van algemeen belang (‘legitimate aim’) dienen. Daarbij moet een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) bestaan tussen het legitieme doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Bij de keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe. Het hof haalt uitgebreid de parlementaire behandeling van de afschaffing aan en komt tot het oordeel dat de gehanteerde overgangstermijn ruim genoeg was en de man niet voor verrassingen is gesteld.
De man had ook nog aangevoerd dat zijn werkgever opname van het levenslooptegoed alleen toestond in combinatie met een opname van levensloopverlof en hij daardoor feitelijk geen gebruik kon maken van de gunstige overgangsregeling. Dat betoog slaagt niet. Dit wordt niet veroorzaakt door de fiscale wetgeving.
Het hoger beroep is ongegrond. De loonheffing over de levensloopregelingen is terecht en tot het juiste bedrag ingehouden.
De Hoge Raad wijst het beroep in cassatie zonder motivering af.
(Hoge Raad, 27 februari 2026, nr. 24/02728, ECLI:NL:HR:2026:315)

(maart 2026)