Kapitaalverzekering is geen KEW als clausule ontbreekt

Een man heeft samen met zijn echtgenote in 1995 een woning gekocht. Aan hen zijn twee hypothecaire leningen verstrekt. Verder heeft de man in 2002 een kapitaalverzekering afgesloten. In 2000 heeft de man het verzekerd kapitaal van een bestaande kapitaalverzekering verhoogd. De uitkering bij overlijden uit deze verzekering moet worden gebruikt voor aflossing van de hypothecaire schuld. Verder is in de hypotheekakte onder meer vastgelegd dat de verzekering is verpand aan de geldverstrekker.
De belastinginspecteur heeft de kapitaalverzekeringen in aanmerking genomen in box 3, zonder toepassing van de bezitsvrijstelling van € 123.428.
De Rechtbank Noord-Holland heeft geconcludeerd dat de kapitaalverzekeringen niet onder het overgangsrecht (met bezitsvrijstelling in box 3) vallen, omdat de bestaande verzekering in 2000 is verhoogd en de andere verzekering in 2002 is afgesloten. Bovendien bevatten de verzekeringen ‘geen bepaling die ertoe strekt dat de begunstigde de uitkering uit de kapitaalverzekering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld’. En de rechtbank heeft ook overwogen dat een verpanding in de hypotheekakte niet gelijk te stellen is met een dergelijke bepaling. De rechtbank heeft de inspecteur in het gelijk gesteld en Hof Amsterdam bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Bovendien verwerpt het hof de stelling van de man dat een vermogensrendementsheffing van 2,5% ‘in lijn is met de huidige inzichten’.
(Bron: Hof Amsterdam, 29 januari 2015, zaaknummer 13/00255, ECLI: NL:GHAMS:2015:419)

Noot:

Door de verhoging van het verzekerde kapitaal bij het oversluiten van de (blijkbaar) vóór 14 september 1999 bestaande kapitaalverzekering, was duidelijk dat geen recht kan bestaan op de vrijstelling in box 3. Voor de vraag of sprake is van een KEW was de zaak wellicht minder duidelijk. De wet schrijft immers niet exact de tekst van de KEW-clausule voor. Maar in deze casus bevatte de verzekering zelf geen clausule. En een verklaring ten behoeve van de bank of een verpanding zijn niet voldoende. Zie ook Productgids Fiscaliteiten 2015, paragraaf 3.3.1.
De stelling van belanghebbende om de vermogensrendementsheffing op 2,5% in plaats van 4% te bepalen, ging ook niet op. Maar wellicht dat het voor de toekomst verandert. Daarvoor is het wachten op de plannen op Prinsjesdag.