Openstaand verlof bij einde dienstverband: moet werkgeversdeel pensioenpremie uitbetaald worden?

Een man is sinds 2008 in dienst bij een gemeente. Het dienstverband eindigt in 2023 wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Bij het einde van het dienstverband stonden er nog ruim 470 verlofuren open. Deze verlofuren zijn uitbetaald op basis van het laatstverdiende salaris.
Per brief vordert de man uitbetaling van het Individueel Keuzebudget (IKB) en het werkgeversdeel van de pensioenpremie. De gemeente heeft alsnog het IKB uitbetaald, maar weigert het werkgeversdeel van de pensioenpremie uit te betalen.
De kantonrechter wijst de vordering af. 
In hoger beroep overweegt het hof onder meer dat volgens artikel 7:641 lid 1 BW een werknemer bij het einde van het dienstverband recht heeft op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen, gelijk aan het loon over een vergelijkbare periode. Daarbij wordt het begrip “loon” ruim uitgelegd en omvat alle looncomponenten die intrinsiek samenhangen met de opgedragen taken. Het hof verwijst naar eerdere uitspraken (o.a. uit 2018) waarin is geoordeeld dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie geen onderdeel uitmaakt van het loon bij uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen.
Het werkgeversdeel is een betaling aan een derde (het pensioenfonds) en niet aan de werknemer zelf. De werknemer heeft geen recht op uitbetaling van dit bedrag en kan het niet voor andere doeleinden aanwenden. Tot slot is de pensioenopbouw gekoppeld aan het bestaan van de arbeidsovereenkomst en niet aan het opnemen van vakantiedagen. Het niet opnemen van vakantiedagen leidt niet tot een economisch nadeel voor de werknemer, aangezien de pensioenopbouw over de gewerkte periode al heeft plaatsgevonden.
Sinds de uitspraak uit 2018 is er geen nieuwe jurisprudentie die aanleiding geeft om van deze lijn af te wijken.
Het hof overweegt nog dat slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als de werkgever de werknemer onvoldoende gelegenheid heeft gegeven om vakantie op te nemen, op basis van redelijkheid en billijkheid een vergoeding zou kunnen worden toegekend. In deze zaak was daarvan geen sprake.
Het hof wijst de vordering van de man af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.
(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2025, nummer 200.349.952/01, ECLI:NL:GHARL:2025:7820)

(januari 2026)