Een inwoner van Nederland heeft in het verleden voor een in Nederland gevestigde werkgever gewerkt. Gedurende dat dienstverband heeft hij deelgenomen aan de Nederlandse pensioenregeling van die werkgever. Gedurende het dienstverband is deze werknemer voor een periode van 5 jaar uitgezonden naar het buitenland. Daarbij is hij blijven deelnemen aan de Nederlandse pensioenregeling.
Tijdens de uitzending waren de werkgeversbijdragen aan de Nederlandse pensioenregeling in het buitenland onderworpen aan een belasting over het inkomen. De werknemersbijdragen zijn in deze periode voor de berekening van de buitenlandse belasting niet in aftrek gekomen van het brutoloon.
Het inkomen van de belastingplichtige was In het buitenland onderworpen aan een vlak tarief. Dat tarief was aanzienlijk lager dan het marginale tarief dat in Nederland op het inkomen van de werknemer van toepassing zou zijn geweest.
De Kennisgroep IBR IB niet- winst/LB/PH- aanslag heeft hierover het standpunt gepubliceerd dat de saldomethode van toepassing. Daarmee wordt de in het buitenland verschuldigde belasting volgens de kennisgroep aangemerkt als een belasting die naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting in de zin van onderdeel 2.4 van het besluit Loonheffingen, inkomstenbelasting internationale aspecten van pensioenen en stamrechten van 21 maart 2024. Het vrijgestelde deel van de pensioenuitkering maakt geen deel uit van het verzamelinkomen.
(Kennisgroepen, KG:041:2026:4, 26 mei 2026)
(juli 2026)