V&A over aanpassing mate van variatie hoogte van pensioenuitkeringen na ingangsdatum

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst heeft een vraag en antwoord gepubliceerd over de vraag of de mate van variatie van de hoogte van pensioenuitkeringen na ingangsdatum kan worden aangepast na toepassing van artikel 150l, zesde lid, Pensioenwet (PW).
In de praktijk gaan pensioenfondsen over van de uitvoering van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst. In dat geval moet het fonds aan de gepensioneerde de keuze voorleggen tussen een vastgestelde of variabele uitkering. Als het pensioenfonds uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert, kan de gepensioneerde kiezen voor waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder voor de aankoop van een vastgestelde uitkering. Dit is geregeld in artikel 150l, zesde lid, PW.
In de beschreven casus heeft een deelnemer aan de pensioenregeling uitgevoerd door een pensioenfonds op de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen gekozen voor variatie in de hoogte van de uitkeringen. Deze mogelijkheid bestaat op grond van artikel 18d, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Op enig moment na ingang van het ouderdomspensioen gaat het pensioenfonds over van de uitvoering van een uitkeringsovereenkomst naar een flexibele premieovereenkomst. De gepensioneerde krijgt dan wettelijk het recht op keuze tussen een vastgestelde of een variabele uitkering. Als het pensioenfonds uitsluitend variabele uitkeringen uitvoert, kan de deelnemer kiezen voor waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder voor de aankoop van een vastgestelde uitkering.
Vraag is of de gepensioneerde bij de nieuwe uitvoerder mag kiezen voor een andere mate van variatie van de hoogte van zijn pensioenuitkeringen (als bedoeld in artikel 18d, eerste lid, Wet LB) dan de mate waarvoor hij gekozen heeft op ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen.
Het CAP geeft als antwoord dat de gepensioneerde bij toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW niet mag kiezen voor een andere mate van variatie van de hoogte van zijn pensioenuitkeringen, dan de mate waarvoor hij gekozen heeft op ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen. Niet relevant is of de gepensioneerde kiest voor een vastgestelde of een variabele uitkering bij het pensioenfonds of een andere pensioenuitvoerder.
Het CAP geeft als toelichting dat op grond van artikel 18d, eerste lid, Wet LB de mate van variatie in de hoogte van de uitkeringen van ouderdomspensioen, partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en wezenpensioen ten laatste op de ingangsdatum van de uitkeringen moet worden vastgesteld. Voor de toepassing van artikel 150l, zesde lid, PW geldt geen uitzondering.
De nieuw vastgestelde of variabele uitkering mag afwijken van de hoogte van de oorspronkelijke uitkering, maar de mate van variatie (inclusief de periode van variatie) moet gelijk blijven.
(Centraal Aanspreekpunt Pensioenen, V&A 26-003 Aanpassing mate van variatie hoogte van pensioenuitkeringen na ingangsdatum en artikel 150l, zesde lid, PW, publicatiedatum 13 maart 2026)

(april 2026)