Rentekortingen op personeelsleningen

In het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015 is een wijziging opgenomen voor rentekortingen op personeelsleningen die zijn gebruikt voor aankoop of verbouwing van de eigen woning. Het voordeel dat werknemers door de rentekorting verkrijgen, kan met ingang van 1 januari 2016 niet langer onbelast blijven. Volgens het wetsvoorstel mag het bedrag van de rentekorting niet door de werkgever  worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel en als zodanig dus niet ten laste van de zogenoemde vrije ruimte worden gebracht. De werkgever moet bepalen hoe groot het voordeel is dat de werknemer geniet. In beginsel is dit het verschil tussen de rente die de werknemer moet betalen en de rente die een willekeurige derde zou moeten betalen voor een vergelijkbare lening.Omdat er ook veel werknemers zijn met een variabele rente is het als tegemoetkoming toegestaan het bedrag van de rentekorting op basis van een schatting maandelijks tot het loon te rekenen en daarop loonheffingen in te houden. In december moet dan eventueel een correctie worden aangebracht als er te veel of te weinig is verloond. De rente die tot het loon is gerekend, is bij de werknemer/ster aftrekbaar in de aangifte inkomstenbelasting.Het wetsvoorstel is op 22 september 2015 aangenomen door de Tweede Kamer, maar moet nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer.(Bron: Wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2015, Kamerstukken, nr. 34 220)

Noot:

De bovenomschreven wetswijziging zorgt voor een behoorlijke administratieve last voor de werkgever. Allereerst dient het juiste bedrag van de korting te worden bepaald. Dat lijkt eenvoudig, maar vaak hebben werknemers verschillende leningsdelen met verschillende rentes. Daarnaast dient de werkgever voor elke werknemer met een personeelshypotheek met rentekorting een verloning toe te passen. Ook voor alle gevallen waarbij het bedrag van de korting niet tegen het tarief in de hoogste schijf wordt belast en weer afgetrokken en waar per saldo zich dus niet de mismatch voordoet waar de wetswijziging betrekking op heeft.Als de werkgever het voordeel van de rentekorting aan de werknemer wil laten blijven toekomen, zijn er kortweg drie opties:1.     Vervallen rentekorting en betalen van compensatieDe rentekorting wordt niet langer gegeven. De werknemer gaat een hogere bruto rente betalen. Daar staat tegenover dat de werkgever aan de werknemer ter compensatie een bedrag betaalt ter grootte van de rentekorting. Dit bedrag is belast. Eventueel kan de voorlopige teruggaaf worden aangepast in verband met de hogere bruto rente, zodat maandelijks een hoger bedrag wordt terugontvangen van de Belastingdienst.2.     Verlonen bedrag van de kortingBij deze optie wordt de rente die de werknemer moet betalen niet gewijzigd. Het bedrag van het rentevoordeel moet dan worden bepaald en verloond als “loon in natura”. Door deze verloning ontvangt de werknemer per saldo minder netto loon. Het bedrag dat is verloond, is in de aangifte inkomstenbelasting aftrekbaar als betaalde hypotheekrente. Ook hier kan men er voor kiezen om de voorlopige teruggaaf aan te passen.Een aantal werkgevers past de korting op een personeelshypotheek ook toe voor gepensioneerde werknemers. In dat geval is optie 1 niet aan te raden. De gepensioneerde ontvangt doorgaans geen betalingen van de ex-werkgever, zodat de werkgever deze mensen weer op moet nemen in de salarisadministratie, de loonheffingen voor zou moeten schieten en deze vervolgens moet zien te verhalen op de gepensioneerden. Er is over gesproken om het mogelijk te maken dat pensioenfondsen de verloning op zich nemen, maar de animo voor deze oplossing is zeer beperkt.3.     Declareren van het kortingsbedragEen derde optie zou zijn om de werknemer middels een declaratiesysteem te compenseren. De werknemer gaat dan een rente zonder korting betalen en declareert het bedrag van de vervallen korting bij de werkgever. De werkgever vergoedt dit bedrag onder inhouding van loonheffingen. Bij deze variant komt de actie bij de werknemer te liggen, terwijl de werkgever maandelijks een bedrag dient te verlonen. Daarnaast zal de werkgever nog steeds het bedrag van de korting moeten bepalen, dan wel het door de werknemer gedeclareerde bedrag moeten controleren.